De berichtgeving over Nederland, Curaçao, Aruba, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius, Saba en hun onderlinge relaties wordt al enige jaren gedomineerd door discussies over de staatkundige structuur, de vermeende criminaliteit en corruptie op de eilanden (drugshandel) en de forse problemen veroorzaakt door een groep (voornamelijk) Curaçaose jongeren in bepaalde steden en wijken in Nederland. Hoewel nieuws vrijwel per definitie slecht nieuws is, lijkt de berichtgeving in Nederland over de eilanden steeds meer te worden ingegeven door sensatiezucht. Kennelijk is er amper meer ruimte voor welk positief of feitelijk verhaal dan ook.  Andersom geldt dat op de eilanden door de politiek ook vaak negatief over Nederland wordt gesproken, al dan niet via de media. Ook daar gaat het vaak echter meer om beeldvorming dan om feiten.

Algemeen bestaat inmiddels het beeld dat er in de maatschappelijke samenwerking tussen de eilanden en Nederland weinig successen zijn. Gelukkig blijkt dat bij een nadere beschouwing erg mee te vallen. Op deze website kunt u verschillende succesverhalen terugvinden. Overigens moet worden opgemerkt dat veel van de samenwerking zich op of rond Curaçao concentreert. Als grootste (en in vergelijking met Aruba en de Bovenwindse eilanden ook nogal ‘Nederlands’ ogend) eiland is Curaçao vanuit Nederland waarschijnlijk de meest voor de hand liggende aanvliegroute voor burgers en hun maatschappelijke instellingen.

Als in Nederland over de Antillen wordt gesproken, spreekt men veelal over Curaçao. De verschillen tussen de eilanden zijn echter groot. Er moet worden voorkomen dat Curaçaose oplossingen gemakshalve ook op de andere eilanden worden losgelaten. Nog meer moet ervoor worden gewaakt dat andere eilanden (in vergelijking met Curaçao) minder contact met de Nederlandse civil society hebben.

Hoewel het staatkundige verband ‘Nederlandse Antillen’ alweer vijf jaar geleden is ontmanteld en hoewel de politiek-bestuurlijke relaties tussen bijvoorbeeld Aruba en Curaçao of Curaçao en Sint Maarten niet altijd zonnig zijn, bestaat er binnen de samenlevingen veel samenwerking tussen de onderlinge eilanden en Nederland. Veel Caribische Nederlanders hebben verwanten op andere eilanden, hetgeen blijkbaar ook collegiale samenwerking in de hand werkt. Van bovenaf opleggen lukt bijna nooit en werkt meestal averechts, maar spontaan laten opbloeien en waar mogelijk stimuleren, blijkt vaak heel goed te gaan: gras gaat immers niet harder groeien door eraan te trekken!