Columns, toespraken & ingezonden stukkenUitgelicht

Belang en meerwaarde van het Koninkrijk – Herman Tjeenk Willink

Onlangs vond er een uitwisseling plaats tussen het Haagse Edith Steincollege en het Colegio Arubano. Wie letterlijk in zwart–wit denkt kan bedrogen zijn uitgekomen. De kans is groot dat de vertegenwoordiger(ster) uit Den Haag donkerder was dan zijn (haar) Arubaanse mede-Nederlander.

1. De wereld verandert en het Koninkrijk?

De wereld is veranderd maar onze beelden zijn vaak nog ongewijzigd.

Enkele voorbeelden:

a.   de samenstelling van de Nederlandse bevolking strookt niet meer met het beeld dat in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk van Nederland bestaat;

b.   de Caribische delen van het Koninkrijk hebben ieder een eigen identiteit, meer dan in Nederland werd en wordt beseft;

c.   de verhoudingen in de wereld zijn fundamenteler veranderd dan het Koninkrijk zich realiseert.

Laat de feiten spreken, anders worden we door die feiten verrast en staan we op achterstand. Ik noem enkele feiten.

Als we kijken naar de bevolkingssamenstelling van de drie grootste steden in Nederland dan heeft de helft van de jongeren daar een niet–Nederlandse etnische afkomst. Behalve wanneer zij uit Suriname, Aruba of de voormalige Nederlandse Antillen afkomstig zijn hebben zij geen enkele (historische of emotionele) band met de andere delen van het Koninkrijk. En zij voelen zich al helemaal niet aangesproken op het koloniale verleden van Nederland. Wat is, naar de feiten gemeten, voor hen het belang van het Koninkrijk? Het is velen niet duidelijk. Als in Nederland een referendum zou worden gehouden over de vraag of Nederland in het Koninkrijk moet blijven, dan vrees ik dat daarvoor geen overtuigende meerderheid bestaat. In politiek Den Haag neemt die meerderheid voor het Koninkrijk eveneens af, al is zij er nog wel. Ook Nederlandse politici moeten echter rekening houden met hun achterban.

Mij is vanaf de eerste contacten in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw opgevallen hoezeer de verschillende landen en eilanden in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk van elkaar verschillen, hun eigen identiteit hebben. Dat wordt in Nederland nog steeds onvoldoende gewaardeerd. Lange tijd werd Curaçao met Suriname verward.

Dat er nog andere eilanden waren, werd nauwelijks beseft. De noodzakelijke staatkundige vernieuwingen kwamen aanvankelijk niet van de grond omdat politiek Den Haag een gezamenlijk voorstel van dé Antillen verwachtte. Maar die gezamenlijkheid ontbrak nu juist. Wat geldt voor de drie landen geldt ook voor Bonaire, St. Eustatius en Saba. Soms op oog afstand van elkaar, vaak via familiebanden aan elkaar gerelateerd, al eeuwen met hetzelfde ‘moederland’ verbonden maar zeer verschillend. Iedereen die ooit Statia National Day heeft meegemaakt weet dat en beseft, althans zou behoren te beseffen, dat deze drie “openbare lichamen” ieder een regeling op maat behoeven. Daarom zijn ze juist géén (Nederlandse) gemeenten. Het kost het Nederlandse bestuur moeite dat te erkennen én daarnaar te handelen.

In 1970 waren de Verenigde Staten (VS), Japan, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk de vijf belangrijkste economieën. Nederland stond op11. In2010 werden de eerste vijf plaatsen ingenomen door de VS, Japan, China, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Nederland stond op15. In2050 zal de volgorde naar verwachting zijn: China, de VS, India, Japan en Duitsland. Nederland staat dan op 23.

Voor zijn economische ontwikkeling is Nederland sterk afhankelijk van de internationale handel. 75% van de Nederlandse export gaat naar landen van de EU. Het is opmerkelijk dat dit percentage de laatste decennia nauwelijks is veranderd. Dat nauwelijks gewijzigde percentage maakt de Nederlandse economie kwetsbaar vooral nu het er naar uitziet dat de economische groei binnen de EU de komende jaren relatief gering zal zijn. (En dan spreek ik nog maar niet van de Nederlandse bankensector).

Hebben we de gevolgen van deze feitelijke ontwikkelingen voor de positie van het Koninkrijk al voldoende tot ons door laten dringen?

2. Wederzijdse afhankelijkheid

Het voornaamste gevolg van de verschuivende machtsverhoudingen in de wereld  is een (nog) grotere wederzijdse afhankelijkheid. De Europese Unie (EU), waarvan het Koninkrijk een van de leden is, is bedoeld daarop een antwoord te zijn.

“Vrede, veiligheid en welvaart kunnen slechts door een steeds nauwere samenwerking worden verzekerd. De soevereine, van niets of niemand afhankelijke staat – als die al ooit heeft bestaan – is niet meer. De keus is steeds vaker: meedoen aan een grensoverschrijdende rechtsorde en daarop (bescheiden) invloed uitoefenen of autonomie bewaken en (daardoor) steeds vaker overgeleverd zijn aan wat andere, meer invloedrijke, staten eenzijdig of gezamenlijk beslissen”. (Citaat uit het Ten geleide bij de voorlichting van de Raad van State van 9 september 2003 (9 jaar geleden!) over de relaties binnen het Koninkrijk en met de Europese Unie). Het is eerder meer dan minder de realiteit.

De discussie over behoud van nationale soevereiniteit binnen de EU, een discussie die in Nederland opnieuw wordt gevoerd in de aanloop naar de verkiezingen van 12 september, is een achterhaalde discussie. Waarom?

Omdat er in de Unie meer dan van soevereiniteitsoverdracht sprake is van deling van soevereiniteit binnen een gemeenschappelijke rechtsorde.

Gedeelde en verdeelde soevereiniteit was voor Montesquieu een middel om machtsconcentratie te voorkomen. De hele triasleer, met het onderscheid tussen wetgever, bestuur en rechter, gaat uit van de noodzaak van gedeelde soevereiniteit. Evenwicht en tegenwicht. Dat geldt niet alleen binnen de Staat, het geldt ook voor de verhouding tussen staat en maatschappij en voor de verhouding tussen staten. Juist in Europa is Staatssoevereiniteit steeds meer rechtssoevereiniteit geworden. De Raad heeft daar verschillende malen op gewezen. Machtsverhoudingen worden door de gemeenschappelijke Europese rechtsordening ingebed in rechtsverhoudingen. Niet onbelangrijk voor een land als Nederland, dat een beperkt arsenaal aan machtsmiddelen heeft, zijn eigen rechtsorde in een wereld zonder grenzen alleen nog overeind kan houden in steeds nauwere samenwerking met anderen en traditioneel ook doordrongen was van het besef dat die internationale rechtsordening juist een bestaansvoorwaarde vormt voor eigen on-afhankelijkheid als Staat en voor florerende handel. Zo beschouwd is de Europese Unie niet de ondergang van de natiestaat maar de redding, als tenminste aan een aantal met elkaar samenhangende voorwaarden wordt voldaan. Ik noem er drie.

Allereerst de eis de identiteit van de eigen staat of het eigen land te kennen. Alleen dan is het mogelijk zelf (en bewust) te bepalen: wat dragen we over, wat brengen we in het grotere geheel in, wat houden we ‘in eigen beheer’? In Nederland weten we niet wat we met Europa aanmoeten omdat we niet weten wat we met onszelf aanmoeten.

Daarnaast de noodzaak het eigen huis op orde te hebben (of te brengen) en daarvoor politieke en maatschappelijke steun te verwerven. (Dat is iets anders dan het “u vraagt wij draaien!”). Daarbij gaat het niet alleen om de financieel economische situatie maar ook om de beginselen van de democratische rechtsorde. Als het eigen huis niet op orde is tast dat de stabiliteit aan en word je afhankelijk van anderen.

Tenslotte de bereidheid en de ambitie een actieve inbreng te leveren in het grotere geheel (in dit geval de Europese Unie dus) niet alleen op het niveau van de Unie, ook in bilaterale contacten met andere lidstaten,niet alleen op het moment van besluitvorming, maar juist ook bij de voorbereiding van voorstellen; niet alleen via ambtenaren en belangengroepen, juist ook door bestuurders en politici zelf.

Onder deze drie voorwaarden is het mogelijk de gevolgen van de verschuivende machtsverhoudingen op te vangen en bedreigingen om te zetten in kansen.

Dat betekent afwijken van gebaande paden en ingesleten patronen; intern en extern. Intern bijvoorbeeld bij coalitievorming (Nederlandse voorbeelden: de formatie 2010 (negatief) en het tot stand komen van het Lenteakkoord (positief)). Bij het afwijken van gebaande paden en ingesleten patronen extern denk ik in het bijzonder aan het buitenlands beleid. Als de wereld ‘groter’ wordt neemt de positie van afzonderlijke landen, zeker kleinere landen, af. Een grotere inzet, meer kwaliteit, gerichte strategische keuzen zijn dan nodig. Soms lijkt het erop dat het tegendeel gebeurt en Nederland met de rug naar de wereld staat. De internationale geloofwaardigheid van Nederland is afgenomen. Zijn positie in internationale gremia eveneens.

Daar hebben ook de andere landen van het Koninkrijk last van.

Neem bijvoorbeeld het beleid ten aanzien van Latijns-Amerika. In het buitenlands beleid is traditioneel de Haagse belangstelling voor Latijns-Amerika gering. Het accent ligt op de Verenigde Staten, het Midden-Oosten en (gedeeltelijk) Azië.

In Latijns-Amerika gaat het niet alleen om Brazilië maar ook om andere landen, Colombia, Chili, Peru. Zij zijn geïnteresseerd in Europa. Nederland zoekt binnen de EU ook geen samenwerking met andere EU-lidstaten die wél in de regio geïnteresseerd zijn: Spanje, Portugal, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk. Zou het bijvoorbeeld niet voor de hand gelegen hebben met die Europese partners een gezamenlijk beleid ten aanzien van Suriname te ontwikkelen? Het gaat immers niet alleen om economie, ook om democratie en rechtsstaat. En is het eigenlijk niet merkwaardig dat de samenwerking met Frankrijk waar het St. Maarten/-St. Martin betreft nu juist door het Koninkrijk (of beter: Nederland) wordt afgehouden? Buitenlands beleid is een Koninkrijkszaak. Zouden de andere landen van het Koninkrijk daarom niet moeten aandringen op een krachtiger gezamenlijk buitenlands beleid in deze regio? Het gaat dan om praktische samenwerkings-verbanden, waartoe de landen hier het initiatief zouden kunnen nemen. Zij hebben de kennis, de ervaring, de contacten. Dat is een gemeenschappelijk belang. Of staat daaraan de ‘autonomie’ in de weg? Maar wat houdt die autonomie eigenlijk in?

Daarmee kom ik op de onderlinge verhoudingen binnen het Koninkrijk.

3. De verhoudingen binnen het Koninkrijk

Is hetgeen voor Nederland in Europa geldt niet ook van toepassing op de afzonderlijke landen binnen het Koninkrijk? Wordt niet teveel nadruk gelegd op een achterhaalde betekenis van het woord autonomie? Om direct alle misverstand uit te sluiten: die roep om autonomie begrijp ik wel en herken ik, ook in Nederland. Maar dan heb ik het over burgers en niet over politici. Autonomie betekent dat burgers, individueel en collectief,  greep willen hebben op de ontwikkeling van hun eigen leven en hun eigen omgeving: straat, stad of (ei)land. Een terechte behoefte die regeringen behoren te respecteren. Maar dat is vooral een kwestie van bestuursfilosofie: het besef bij bestuurders dat niet alleen burgers van hen afhankelijk zijn, maar meer nog zij van de burgers. Daarom is autonomie die door politici wordt opgevat als: wij moeten ons eigen gang kunnen gaan, niet automatisch de autonomie waar burgers behoefte aan hebben. In deze wereld waarin iedereen van iedereen afhankelijk is, lukt het je niet om in je eentje maatschappelijke problemen op te lossen. Als je geen samenwerking zoekt speel je niet meer mee. Maar bij die samenwerking gaat het niet alleen om samenwerking tussen overheden ook om samenwerking met maatschappelijke groepen; niet alleen om samenwerking met Nederland, ook om samenwerking in de regio. Aruba is dat gaan inzien. Het heeft tot nu toe in ieder geval Schiphol en TNO naar dit land gebracht. Aruba heeft daarmee niets van zijn autonomie ingeleverd. Sterker nog, die samenwerking versterkt de eigen invloed als tenminste aan de eerder genoemde drie voorwaarden voldaan blijft worden: eigen identiteit kennen, een actieve inbreng leveren op verschillende fronten, zorg dragen dat het eigen huis op orde is, of op orde komt, en daarvoor politieke en maatschappelijke steun verwerven. Dat stelt hoge eisen aan bestuurders én politici.

Wat houdt besturen eigenlijk in. En wat is de taak van politici?

Besturen is kunnen omgaan met paradoxen, schijnbare tegenstellingen. Een bestuurder moet de burgers motiveren en hun problemen serieus nemen, maar ook afstand bewaren, een eigen visie ontwikkelen en verantwoordelijkheid durven nemen. Een bestuurder moet het debat met politici willen voeren, maar ook praktisch uitvoerbare conclusies daaruit durven trekken. Een bestuurder moet het conflict niet uit de weg gaan maar ook bereid zijn aan consensusvorming bij te dragen.

Politici zijn niet alleen opdrachtgever, maar ook controleur van beleid. Ze moeten keuzen maken op grond van hun visie op de gewenste ontwikkeling van de maatschappij en de rol van de overheid daarin. Politici moeten zich ervan bewust zijn dat de eisen die aan de uitvoering van iedere overheidstaak worden gesteld – rechtsstatelijkheid, democratische legitimatie en doeltreffendheid – niet automatisch in elkaars verlengde liggen. Bij elke beslissing moet een afweging worden gemaakt. Politici moeten bereid zijn voor die afweging politieke verantwoordelijkheid te dragen, verantwoordelijkheid in de zin van risicoaansprakelijkheid. Zij zijn aanspreekbaar voor wat er gebeurt, zij dragen daarvoor het risico, ook als zij daaraan geen schuld hebben.

De eisen waaraan bestuurders en politici moeten voldoen zijn in kleine gemeenschappen misschien nog wel moeilijker te vervullen dan in grotere landen. De afstand tussen politici, bestuurders en burgers die tevens kiezers zijn is kort. Dat heeft behalve voordelen ook nadelen in een systeem dat uitgaat van ‘checks-and-balances’. Het gaat steeds om macht en controle op macht, evenwicht (en dus tegenwicht) tussen wetgever, bestuur en rechter, tussen overheid en maatschappij. Daarom is de waarborgfunctie van het Koninkrijk belangrijk; een garantie ook voor buitenlandse investeerders.

4. De waarborgfunctie als gemeenschappelijke verantwoordelijkheid

Het Koninkrijk is een rechtsgemeenschap en een gemeenschap van gelijkwaardige burgers, allemaal Nederlanders. “Rechtsstaat en democratie zijn niet los verkrijgbaar” (Hirsch Ballin), maar stellen wel verschillende eisen: rechtsgelijkheid en rechtszekerheid aan de ene kant, democratische legitimatie en publieke verantwoording aan de andere kant. In de waarborgfunctie van het Koninkrijk (artikel 43 Statuut) zijn  deze eisen samengebracht.

Artikel 43 luidt: “Elke der landen draagt zorg voor de verwezenlijking van fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur (lid 1). Het waarborgen van deze rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van het bestuur is een aangelegenheid van het Koninkrijk (lid 2)”. De Caribische landen zien (of mogen we zeggen: zagen?) de waarborgfunctie als een bedreiging voor hun autonomie. Het leidde er toe dat die autonomie extra werd benadrukt. Het Koninkrijk (lees: Nederland) ziet artikel 43, tweede lid als een (ultieme) mogelijkheid om tijdelijk in te grijpen als het mis is gegaan. Daarbij ligt dan het accent op de deugdelijkheid van het bestuur.

In navolging van de Raad van State zou ik ook bij de waarborgfunctie de volle nadruk willen leggen op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het waarborgen van rechten en vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur. Artikel 43 vormt één geheel. “Een meer dynamische interpretatie van artikel 43 zou aanleiding kunnen geven voor een periodieke audit of visitatie in elk van de vier landen, uit te voeren door een onafhankelijke en Koninkrijksbreed samengestelde commissie. (……) Inspiratie kan worden ontleend aan de procedures die binnen bepaalde internationale organisaties – te denken valt aan de Europese Unie en de Wereldbank – worden toegepast”.

Vandaag zou ik, zij het kort, de schijnwerper nu eens niet willen richten op de deugdelijkheid van het bestuur in enge zin, maar op de gemeenschappelijke rechtsorde en het democratisch deficit. Zij zijn immers medebepalend voor de deugdelijkheid van bestuur. Ik neem ook hier de samenwerking in Europa als voorbeeld.

Gemeenschappelijk rechtsorde

Basis voor die samenwerking in Europa is de gemeenschappelijke rechtsorde. Zoals ik zojuist zei is in Europa staatssoevereiniteit steeds meer rechtssoevereiniteit geworden. Daarvan profiteren vooral de kleinere landen zonder veel eigen machtsmiddelen. Die gemeenschappelijke rechtsorde moet ruimte laten voor verscheidenheid. Basis voor de gemeenschappelijke rechtsorde van het Koninkrijk vormen de verdragen die voor alle vier landen van het Koninkrijk geldend zijn, het Statuut, de Grondwet, de Staatsregelingen en de opdracht tot concordantie van wetgeving. Dat lijkt een deugdelijke basis maar is het in de praktijk niet. Het interregionale recht bijvoorbeeld is grotendeels ongeschreven. Advocaten en notarissen hebben daar last van. Onzeker is bijvoorbeeld of een Curaçaose NV met een Nederlandse BV kan fuseren. We moeten meer kijken naar dit soort praktische zaken. Hier is nog een wereld te winnen.

Wat we ook missen is een onafhankelijke instantie die een bindend oordeel kan geven als tussen de verschillende overheden geschillen rijzen over de betekenis en reikwijdte van de gemeenschappelijke rechtsorde. Ik vond en vind dat de Raad van State van het Koninkrijk die onafhankelijk instantie zou moeten zijn. Zolang dat (formeel) nog niet zo is dient de Raad met zijn zusterinstellingen, de Raden van Advies, meer dan tot nu toe alert te zijn op de concordantie in de ontwikkeling van het recht in de verschillende landen (om rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven en geschillen tussen overheden te voorkomen). Tegelijkertijd moet de Koninkrijkswetgever, en dus de Raad van State van het Koninkrijk als wetgevingsadviseur, uitdrukkelijk oog hebben voor de verscheidenheid die het Koninkrijk kenmerkt. Het gaat immers om “Eenheid in verscheidenheid”. In het advies van de Raad over het voorstel om de staatkundige positie van Bonaire, St. Eustatius en Saba in de Nederlandse Grondwet te regelen heeft de Raad uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor niet alleen de verschillen in de economische en sociale omstandigheden, maar ook in de sociaal culturele kenmerken. Die kunnen gevolgen hebben voor de wijze van besturen zoals Nauta in zijn proefschrift heeft aangegeven (Oberon Nauta, Goed bestuur in de West. Institutionele en maatschappelijke beperkingen voor goed bestuur in de Caribische rijksdelen, Utrecht 2011).

Behalve de wetgever is uiteraard de rechter van cruciaal belang in het handhaven van de gemeenschappelijke rechtsorde en het beoordelen van de ruimte voor verscheidenheid. Onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak is in alle landen van het Koninkrijk het fundament waarop de rechtsorde rust. Een van de factoren die zwaar weegt bij het aantrekken van bedrijven en andere instellingen. Handhaven en versterken van dat fundament moet dan ook op koninkrijksniveau worden verzekerd.

In de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg van 2 november 2006 is onder meer afgesproken dat er één rechterlijke organisatie zal zijn voor het Caribische deel van het Koninkrijk (landen én eilanden) en dat de regeling hiervan geschiedt bij consensusrijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, Statuut. Dit heeft geleid tot de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Rijksbesluit financiering parket van de procureur-generaal.

Zelf heb ik wel gepleit voor één rechtelijke organisatie voor het hele Koninkrijk. Dat is duidelijk nog een brug te ver. Eerst moeten de afspraken die op 10-10-10 inwerking zijn getreden in de praktijk worden beproefd.

Ook heb ik mij geregeld afgevraagd waarom we niet meer gebruik maken van de mogelijkheden een  gemeenschappelijk personeelsbeleid te voeren. Waarom alleen rechters vanuit Nederland naar het Caribisch gedeelte van het Koninkrijk uitzenden en niet rechters van Aruba, Curaçao, Sint Maarten naar Nederland? Zijn ingevolge artikel 3 van de Grondwet niet alle Nederlanders op gelijke voet in openbare dienst benoembaar? En geldt dat ook niet voor andere publieke functies? Waarom niet meer douaniers, belastinginspecteurs, brandweerlieden naar Nederland al was het alleen maar voor opleiding en stage?

Democratisch deficit

Democratische legitimatie en publieke verantwoording voor het optreden van het Koninkrijk vertonen gebreken. Als we willen dat het Koninkrijk meerwaarde heeft, meer is én moet zijn dat de som van de vier delen, dan zullen we ook iets aan dat democratisch deficit moeten doen. Daarvoor zijn voorstellen gedaan ondermeer door de Commissie Democratisch Deficit.

Na het uitbrengen van haar rapport “Kiezen voor het Koninkrijk” in november 2009 is het echter stil geworden. Toch verdienen de 8 aanbevelingen het niet in de vergetelheid te raken. Zeker, de laatste aanbeveling om aan “de Nederlanders woonachtig op Aruba , Curaçao en Sint Maarten van 18 jaar en ouder op dezelfde voet als aan alle andere Nederlanders naast het passieve kiesrecht ook het actieve kiesrecht voor de Tweede Kamerverkiezingen te verlenen” en daarvoor de kieswet te wijzigen, is op dit moment misschien politiek minder opportuun. Maar ook binnen de bestaande structuren zijn verschillende mogelijkheden om het democratisch deficit te verminderen. Daarop legt de Raad van State de nadruk in zijn voorlichting van september 2011.

Ik noem twee voorbeelden:

–  Bij de mondelinge behandeling van voorstellen van rijkswet in de beide Kamers hebben de Gevolmachtigde Ministers en leden van de Staten (als “bijzondere gedelegeerden”) het recht aanwezig te zijn, het woord te voeren en amendementen in te dienen (artikel 17 Statuut). De Gevolmachtigde Ministers hebben bovendien het recht van initiatief (artikel 15 Statuut). Alleen de leden van de Kamers hebben stemrecht. Als de Gevolmachtigde Minister van het land waarin het voorstel zal gelden zich daartegen uitspreekt, kan de Kamer het voorstel echter alleen aannemen met drie- vijfde van de uitgebrachte stemmen. “Van deze mogelijkheden zou een ruimer gebruik gemaakt kunnen worden dan tot dusver het geval is geweest. Gelet op de grote reisafstand verdient het overweging de technische mogelijkheden van videoconferencing te benutten, zodat een deel van de vergaderingen – vooral spoeddebatten – kunnen worden gehouden zonder dat vliegverkeer noodzaak is.”

–  Bij de controle door de Kamers van de Koninkrijksregering zouden vertegenwoordigers van de Staten van de drie landen als bijzondere gedelegeerden betrokken kunnen worden zoals de leden van het Europees parlement. De Raad van State “acht het staatsrechtelijk geoorloofd als de Kamers der Staten-Generaal in hun reglement van orde rechten toekennen aan de door de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten aangewezen bijzondere gedelegeerden in de zin van artikel 17, tweede lid, Statuut. Zij zouden het recht kunnen krijgen om te worden uitgenodigd voor bepaalde debatten waarin aangelegenheden van het Koninkrijk of van hun landen aan de orde komen. In zulke debatten zou hun de bevoegdheid kunnen worden gegeven om voorlichting te verstrekken aan de leden van de Kamer en aan de bewindslieden, en om tijdens de beraadslaging de bewindslieden te interrumperen en hun rechtstreeks vragen te stellen.”

Naast deze twee voorbeelden uit de Voorlichting van de Raad van State noem ik twee aanbevelingen van de Commissie Democratisch Deficit.

–  De Koninkrijksregering zou het initiatief moeten nemen voor het opzetten van een aparte portalwebsite van het Koninkrijk, bedoeld als virtuele ontmoetings- en samenwerkingsruimte en opslagplaats van relevante documenten.

–  Ook beveelt de Commissie aan dat de rijksministerraad jaarlijks een strategisch beleidsdocument publiceert, “de Staat van het Koninkrijk “waarover dan een Kamerdebat zou moeten plaatsvinden met deelname van tenminste twee volksvertegenwoordigers van ieder Caribisch land in het Koninkrijk en van de gevolmachtigde ministers van deze landen.

Het is dus aan de parlementen in de afzonderlijke landen zelf om het democratisch deficit op koninkrijksniveau te verminderen. Waarom dat niet gebeurt? Omdat het democratisch deficit in het Koninkrijk voor een gedeelte is toe te schrijven aan het democratisch deficit in onze eigen landen. Als parlementen het willen kan het.

Staatkundige democratie kan niet zonder maatschappelijke democratie. Het wordt wel eens vergeten. Het gaat uiteindelijk om de burgers, hun problemen, hun behoefte om greep te hebben op hun eigen leven en hun eigen omgeving. Burgers hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het publieke belang, de gemeenschap. Zij moeten in staat worden gesteld die verantwoordelijkheid waar te maken. De voorwaarden voor een actief burgerschap zijn bekend: ga uit van vragen, oplossingen en activiteiten van de burgers zelf en biedt daarvoor ruimte, accepteer dat uitkomsten daardoor per stad of wijk verschillend kunnen zijn, wees als overheid normerend en stimulerend en toon als bestuurders waardering voor de eigen inbreng van burgers en voor nieuwe initiatieven van onderop. Dat blijkt, althans in Nederland, in de praktijk minder eenvoudig dan het klinkt. De Nederlandse overheid richt zich traditioneel meer op de bescherming van ‘onderdanen’ dan op het ontwikkelen van burgerschap. De laatste decennia worden burgers door de overheid en publieke diensten vooral als klanten of cliënten benaderd. Maar burgerschap is meer. Het gaat om de burger als actief onderdeel van de burgersamenleving, de ‘civil society’. Een krachtige burgersamenleving is noodzakelijk voor het behoud van het evenwicht tussen de staat en samenleving en daarmee voor het behoud van de legitimiteit van de staat. Uiteindelijk gaat het om vertrouwen. Waarom zouden burgers het bestuur vertrouwen als ze het hebben dat ze zelf door de bestuurders niet vertrouwd worden? Waarom zouden burgers nog volksvertegenwoordigers kiezen als ze geen vertrouwen hebben dat gekozen volksvertegenwoordigers daadwerkelijke politieke controle uitoefenen op het bestuur?

Wederzijds vertrouwen. Dat geldt niet alleen in elk van onze landen afzonderlijk maar ook in het Koninkrijk als geheel. De burgers in de verschillende landen van het Koninkrijk, allemaal Nederlanders, zullen zich pas werkelijk Koninkrijksburgers voelen als zij in hun eigen land serieus worden genomen. Dat gevoel kan worden bevorderd  door (aankomende) burgers via het onderwijs en door goede voorlichting te informeren over wat het Koninkrijk inhoudt; de meerwaarde. Het gevoel Koninkrijksburgers te zijn kan ook worden versterkt door allianties tussen non gouvernementele organisaties in de verschillende landen. In Europa ligt de periode waarin samenwerking vooral via centrale overheden werd geregeld al geruime tijd achter ons. Organisaties in zowel de publieke als de private sector, lokale overheden en ‘civil society’ hebben begrepen dat om invloed te houden samenwerking over de grenzen heen nodig is. Vaak worden die initiatieven door de EU ook financieel gesteund vanwege het gemeenschappelijke, collectieve belang. Directe contacten van burgers en professionals onderling werken ook beter en leveren vaak meer en sneller effect op dan contacten ‘bovenover’. Binnen het Koninkrijk lopen we daarin achter. Gerichte initiatieven om behalve bedrijven ook scholen, ziekenhuizen, sportclubs en andere maatschappelijke organisaties gedurende langere tijd aan elkaar te koppelen zou het Koninkrijk ook voor de burgers meer doen leven. “Waarschijnlijk zijn non gouvernementele allianties en directe samenwerking tussen (semi-) overheidsdiensten de belangrijkste motor voor versterking van de banden binnen het Koninkrijk”. (Uit het Ten geleide bij Verdieping of geleidelijk uiteengaan?, Februari 2004).

5. Tenslotte

Een viertal waarnemingen, feiten zo u wilt, uit het begin van mijn ambtsperiode als vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk hebben een belangrijke invloed gehad op mijn opstelling in het afgelopen decennium.

Allereerst de waarneming dat het huidige Koninkrijk geen adres, telefoonnummer begroting of parlement heeft. In die zin bestaat het Koninkrijk (nog steeds) niet. In het Caribische deel van het Koninkrijk wordt het begrip Koninkrijk dan ook ervaren als synoniem voor Nederland en de praktijk geeft die landen en eilanden vaak gelijk. Is het echter soms ook niet en alibi?

Daarnaast de waarneming dat het in het Caribisch deel van het Koninkrijk meestal gaat om concrete maatschappelijke problemen, uitvoeringsproblemen, die (te) vaak echter in min of meer abstracte beleidstermen worden geformuleerd. Ministers en (rijks-) ambtenaren spreken makkelijker en vaker over “het basisonderwijs op Saba” dan over de 160 kinderen op de Sacred Heart School en hun problemen.

De derde waarneming die mijn opstelling mede heeft bepaald is de constatering dat het aantal bestuurlijke en ambtelijke missies uit en naar Nederland enorm is, maar dat telkens blijkt dat de hoeveelheid contacten niet alles zegt over de kwaliteit ervan. Door de vele veranderingen in de wereld neemt de onzekerheid toe. We weten het niet alleen af te kunnen maar we doen graag alsof dat wel zo is. Resultaat: we kijken vooral naar onszelf. Doordat we naar onszelf staren, zien we niet dat de beelden die we van anderen hebben achterhaald zijn.

De vierde waarneming was de dominantie van de status quo. En ook die is gemakkelijk te verklaren. Vaak zijn de belanghebbenden bij de status quo ook diegenen die veranderingen moeten voorbereiden en uitvoeren. Doorbreken van die status quo is lastig als de communicatie beperkt blijft tot de (kleine) elite die vaak zelf gevangen zit in de bestaande situatie. Zonder politieke visie en sturing en zonder de betrokkenheid van anderen (maatschappelijke groepen, bedrijven, vertegenwoordigers van de nieuwe generatie) lukken veranderingen niet. Dat geldt zowel in Nederland als in de Caribische delen van het Koninkrijk.

Ik vond en vind dat niemand die een verantwoordelijkheid draagt binnen het Koninkrijk zich bij deze feiten mocht en mag neerleggen. Anders is het gevaar groot dat het Koninkrijk uiteenvalt; zonder dat we daartoe hebben besloten; zelfs zonder het te willen. Niet voor niets was de titel van de Voorlichting van de Raad van State van september 2003 “Verdieping of geleidelijk uiteengaan”?

Het Koninkrijk is een rechtsgemeenschap. Misschien is dat wel de belangrijkste meerwaarde. Die rechtsgemeenschap is gebaseerd op de erkenning dat wij allen Nederlandse burgers zijn én op de erkenning dat we als Nederlandse (staats)burgers van elkaar verschillen, in culturele en maatschappelijke achtergrond, in gewoonten, in geloof en levensbeschouwing, in politieke voorkeur. Die verschillen vormen een gedeelte van onze identiteit. Tegelijkertijd is er de groeiende wederzijdse afhankelijkheid. Dat dwingt tot rekening houden met elkaar en de bereidheid zich aan nieuwe omstandigheden aan te passen. Als we in de geschiedenis terugkijken behoort ook dat vermogen tot onze identiteit. Die combinatie, de erkenning van verschillen en het rekening houden met elkaar vormen voorwaarden voor stabiliteit en welvaart in het Koninkrijk als geheel. Onder invloed van maatschappelijke veranderingen en globaliserende markten staat die combinatie onder druk. De schijn wordt wel gewekt dat alleen de meerderheid telt en dat elk land het ook wel alleen af kan. Maar de afhankelijkheid van anderen is groter dan ooit, in eigen land én binnen het Koninkrijk. Dat dwingt de vijf verworvenheden die in de loop van de geschiedenis onze gemeenschappelijke noemer zijn geworden opnieuw op waarde te schatten en te koesteren: eenheid in verscheidenheid, persoonlijke rechten en vrijheden, ruimte voor actief burgerschap, bestuurlijke stabiliteit in een moderne rechtsstaat en internationale oriëntatie. Het zijn  garanties voor fatsoenlijke wijze van leven en samenleven. Daarom staan ze ook centraal in die viering van 200 jaar Koninkrijk in 2013/2015. Een Koninkrijk dat meer is dan vier landen die historisch met elkaar zijn ‘opgescheept’ of – erger nog –  ‘tot elkaar veroordeeld zijn’. Als we willen, veel meer!

Herman Tjeenk Willink

Aruba, 25 juni 2012

Previous post

Maduro Muziek Stichting brengt cd uit met werken van Rudolf Palm (1880 - 1950)

Next post

Twinning Maria Immaculata Lyceum Curacao en CSG Dinsgstede Meppel gaat als een speer

Comité Koninkrijksrelaties

Comité Koninkrijksrelaties