Columns, toespraken & ingezonden stukken

Rede Mr. Karel Frielink

 Rede mr Karel Frielink

Deken van de Orde van Advocaten Curaçao
gehouden op vrijdag 21 september 2012
ter gelegenheid van de installatie
 van een drietal rechters bij het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten
en van Bonaire, St. Eustatius en Saba

 

Mevrouw de President ! Excellentie ! Geachte aanwezigen !

 

Onze regering, ons parlement en onze rechterlijke macht zijn de hoekstenen voor een duurzame positieve ontwikkeling van ons Land. Met ons geloof in God zullen wij genieten van Zijn bescherming, want gezegend is het volk dat de Heer als God heeft. We zullen onze krachten bundelen en in gelijkheid en in vrede ons Land met liefde dienen.

 

Dit citaat komt niet uit een mis en evenmin uit een vrijblijvend gehouden toespraak, maar uit de preambule van de Staatsregeling van Curaçao. Het zijn met zorg gekozen woorden. En blijkens de Staatsregeling is deze boodschap door het volk van Curaçao zelf verkondigd.

Het is de vierde en ook tevens laatste keer dat het mij als Deken van de Orde van Advocaten Curaçao gegund is een installatiezitting op te luisteren. Reeds in mijn eerste rede heb ik grote zorgen geuit. In latere jaren zijn die zorgen in sterkere bewoordingen gegoten, maar daar waren de omstandigheden dan ook naar. Als ik een centraal thema in mijn redes zou moeten aanwijzen, dan is dat zonder twijfel het uiten van kritiek op mensen (en omstandigheden, maar die worden ook door mensen veroorzaakt) die in meer of mindere mate een bedreiging voor de rechtsstaat vormen. Door een klein groepje is daarop redelijk fanatiek gereageerd, voornamelijk in de vorm van schreeuwen en schelden. Die reacties hebben mij persoonlijk niet geraakt, maar het feit dat ook personen met grote politieke verantwoordelijkheid (en dat zijn leiders die een voorbeeldfunctie hebben) hieraan hebben meegedaan, is teleurstellend en een teken van zwakte. Dat soort reacties laat mij er echter niet van weerhouden om ook vandaag een kritische noot te kraken. Een staatsrechtelijke noot deze keer.

Het doel van regelingen zoals de Staatsregeling, maar ook het Reglement van Orde van de Staten, is – onder andere – bescherming te bieden tegen willekeur. Het Reglement van Orde heeft overigens niet voor niets die naam: het bevat regelingen die voor het ordentelijk functioneren van de Staten van belang zijn. Bij twijfel over de uitleg van een bepaling van het Reglement beslissen de Staten (dus de meerderheid) en niet de voorzitter. Niet de voorzitter beslist dus uiteindelijk hoe het Reglement moet worden uitgelegd en begrepen, maar de Staten zelf. Een voorzitter is verplicht om statenleden die te kennen geven dat te willen, zich daarover te laten uitspreken.

Het is een open deur, maar macht kan worden misbruikt, ook als die macht democratisch georganiseerd is. Bevoegdheden kunnen bijvoorbeeld worden misbruikt door deze voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor deze zijn verleend.1 Zo is de bevoegdheid om een vergadering van de Staten te schorsen bijvoorbeeld, bedoeld om statenleden na een urenlange vergadering even te laten bijkomen of te laten lunchen. De gedachte bij het geven van bevoegdheden aan een voorzitter is geweest dat hij zich politiek neutraal (onpartijdig), onafhankelijk en eerlijk opstelt. Mijn persoonlijke opvatting over de wijze waarop de bevoegdheid tot schorsing op 24 augustus 2012 is gebruikt heb ik al publiek gemaakt en die zal ik hier vandaag niet herhalen.2

In het Reglement van Orde is wel vastgelegd dat het de voorzitter is die over het al dan niet schorsen van een vergadering beslist, maar daarin is geen regeling opgenomen op grond waarvan de Staten misbruik van die bevoegdheid kunnen tegengaan. De recente ontwikkelingen laten zien dat hier sprake is van een lacune in ons rechtsbestel. Een lacune die ertoe heeft geleid dat Statenleden lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan, waarbij het met name verbaal van kwaad tot erger werd. Soms bekruipt mij het gevoel dat de wet van de jungle geldt.

Natuurlijk is nagedacht over de vraag of met de instrumenten die ons staatsbestel thans kent, de discussie over wie nou de echte voorzitter en vice-voorzitter zijn kan worden beslecht. Artikel 62 van de Staatsregeling van Curaçao bepaalt dat de Staten hun eigen Reglement van Orde vaststellen en dat deze openbaar wordt gemaakt door plaatsing in het Publicatieblad. Het Reglement van Orde van de Staten is een interne regeling, maar deze heeft wel degelijk een externe uitstraling en is zeer wel een norm die de maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht van het Land Curaçao mede invult. Verdedigbaar is dat een onjuiste toepassing van het Reglement jegens statenleden een schending in burgerrechtelijke zin oplevert en dus onrechtmatig is.3 In kort geding zou vanuit die opvatting aan de burgerlijke rechter (als restrechter in dit geval) een voorziening kunnen worden gevraagd die ertoe leidt dat de Staten – bijvoorbeeld – weer regulier kunnen vergaderen. Een ideale oplossing is dit niet en we zouden het de burgerlijke rechter bij voorkeur ook niet moeten aandoen om politiek getinte geschillen te beslechten, zelfs niet als deze in hoofdzaak betrekking hebben op zaken van meer procedurele aard.

De kracht van rechtsregels zit in hun toepassing, terwijl de toepassing in rechtsregels zijn basis vindt. De schending van contractuele regels is een particuliere aangelegenheid, waarbij de overheid in de vorm van rechtspraak de beslechting van geschillen faciliteert. De schending van het staatsrecht daarentegen is een publieke aangelegenheid. Dat raakt immers de fundamenten van het staatsbestel waarin wij leven. Een staatsbestel dat ons moet beschermen tegen de dictatuur van zowel de meerderheid als de minderheid. Het Statuut van het Koninkrijk biedt weliswaar de mogelijkheid om in extreme situaties van Koninkrijkswege te kunnen ingrijpen, maar niet alleen gaat het daarbij om een uiterste redmiddel, belangrijker is dat wij zelf voldoende moeten zijn toegerust om schendingen en dreigende schendingen van het staatsrecht het hoofd te bieden. Bij een volwassen rechtsstaat hoort dat problemen zoveel mogelijk binnenshuis worden opgelost. En daar waar politici tekortschieten in het oplossen van hun eigen problemen, zou moeten kunnen worden teruggevallen op een instituut dat op dat vlak met de nodige autoriteit kan beslissen.

En in dat opzicht schiet ons staatsrecht tekort. Ons staatsrecht voorziet niet in een objectieve en gespecialiseerde vorm van geschillenbeslechting. In beperkte mate zou de burgerlijke rechter als restrechter een rol kunnen vervullen, maar dat is – als gezegd – verre van ideaal. Eerder al heb ik de instelling van een Constitutioneel Hof bepleit, onder verwijzing naar Sint Maarten4 en de Bondsrepubliek Duitsland. Ik bepleit dat vandaag weer. Wat mij betreft zou een dergelijk Hof moeten worden ingesteld. Dat Hof zou landsverordeningen aan de Staatsregeling van Curaçao mogen toetsen, mogen oordelen over de regelmatigheid en rechtmatigheid van alle handelingen in het verkiezingsproces en bijvoorbeeld referenda preventief mogen toetsen. Over deze en andere bevoegdheden moet op een andere plek maar verder worden nagedacht. Maar voor nu belangrijker, dat Hof zou de mogelijkheid moeten hebben om in laatste instantie interpretatiediscussies wat betreft onze Staatsregeling te beslechten alsmede de bevoegdheid moeten hebben om op verzoek blijvende of voorlopige voorzieningen te treffen. Wanneer zich bijvoorbeeld een geval van misbruik van bevoegdheid door de voorzitter van de Staten voordoet en dit niet intern kan worden geredresseerd, zou ieder lid van de Staten zich op eenvoudige wijze tot het Constitutionele Hof moeten kunnen wenden.

Wellicht dat ook aan de Gouverneur de bevoegdheid moet worden gegeven om aan hem voorgelegde kwesties van staatsrechtelijke aard aan dat Hof voor te leggen. Op dit moment heeft de Gouverneur niet veel speelruimte: hij kan zonodig bemiddelen of (al dan niet met inschakeling van adviseurs) zijn mening geven dan wel – in een extreem geval – het ertoe leiden dat van de in het Statuut vastgelegde waarborgfunctie gebruik wordt gemaakt. Maar net als bij de burgerlijke rechter geldt ten aanzien van de Gouverneur, dat we het hem bij voorkeur niet moeten willen aandoen om politiek geladen geschillen te beslechten.

De afgelopen weken was herhaaldelijk te horen dat zich een constitutionele crisis heeft aangediend. Die crisis heeft aangetoond dat er een lacune in ons rechtsbestel zit. Het ontbreekt aan een instituut dat met gezag geschillen van staatsrechtelijke aard kan beslechten. Het vertrouwen in onze Staatsregeling en het functioneren van onze democratie zijn erbij gebaat dat er een onafhankelijk Constitutioneel Hof in het leven wordt geroepen.

Namens de balie feliciteer ik de rechters die vandaag in deze installatiezitting centraal staan. U begint uw werkzaamheden op een turbulent moment in onze geschiedenis. Maar ook op een moment dat er geschiedenis wordt geschreven. En hoewel ik uw rol wat betreft de beslechting van geschillen respecteer en waardeer, heeft Curaçao op dit moment, naast een Constitutioneel Hof, vooral behoefte aan maatschappelijke leiders die een bijdrage kunnen leveren aan een door zovelen gewenste maatschappelijke verzoening.

Ik dank u wel!

 

1 Zie artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek.

2 Ik verwijs o.a. naar het Antilliaans Dagblad van 30 augustus 2012 (p. 8), http://soundcloud.com/dolfijnfm/afzetten-van-asjes-geldig-of en http://soundcloud.com/fundashon-pro-pueblo/programa-14-sept-2012.

3 Dit is de opvatting die ik op 28 augustus 2012 heb verdedigd: http://www.curacao-law.com/naar-mijn-mening/. Zie ook p. 8 van het Antilliaans Dagblad van 30 augustus 2012.

4 http://www.publiekrechtenpolitiek.nl/het-eerste-constitutionele-hof-van-het-koninkrijk-is-een-feit/

 

Previous post

Twinning Maria Immaculata Lyceum Curacao en CSG Dinsgstede Meppel gaat als een speer

Next post

“Hollandse Nieuwe” - Marifer Aguirre Broca

Comité Koninkrijksrelaties

Comité Koninkrijksrelaties