Overheid en politiekUitgelicht

‘In een staatkundige structuur kun je niet wonen’ – mr. Herman Tjeenk Willink

Het koninkrijk is niet van de overheden maar van burgers

Eind deze maand neemt Herman Tjeenk Willink afscheid als vicepresident van de Raad van State. Als boegbeeld van het belangrijkste adviesorgaan in het Koninkrijk toonde hij in de achterliggende vijftien jaar een warm hart te hebben voor de eilanden. Een oprechte maar zeker niet kritiekloze betrokkenheid, waarvan hij ook in het onderstaande vraaggesprek getuigt.

,,We moeten ophouden met alsmaar te praten over staatkundige structuren. Dat begint een beetje te lijken op een alibi om niet te hoeven werken aan het oplossen van echte problemen. In structuur kun je niet wonen. Mensen wonen in huizen of in krotten. Als dat laatste het geval is, moet je daar wat aan doen. Het koninkrijk is niet van de overheden alléén. Daar lijkt het soms wel op maar het koninkrijk is ook van de burgers, van ondernemers, van scholen, van ziekenhuizen en allerlei maatschappelijke groeperingen. Hun problemen raakten de afgelopen decennia uit beeld. Het proces van staatkundige herstructurering was erg dominant. Nu is er hopelijk ook weer tijd voor andere zaken. Zo vind ik het goed dat de Curacaose regering nu echt wil inzetten op de achterstandswijken.”

Het kan niet anders dan dat het Tjeenk Willink daarom niet lekker zit dat de discussie over de staatkundige structuur na 10-10-10 zeker op Curaçao niet is verstomd. “De roep om autonomie begrijp ik en herken ik ook in Nederland. Dan heb ik het over de burgers, niet de politici. Autonomie betekent dat mensen greep willen hebben op de ontwikkeling van hun eigen leven en hun omgeving: hun straat, stad of eiland. Een terechte behoefte die regeringen behoren te respecteren. Maar autonomie die door politici – van welk land of eiland dan ook – wordt opgevat als: “wij kunnen het wel alleen af” is niet de autonomie die ik voorsta.”

In dat ‘je eigen gang gaan’ gelooft de scheidend ‘onderkoning van Nederland’ niet. ,,In deze wereld waar iedereen van iedereen afhankelijk is, lukt het je niet om in je eentje problemen op te lossen. Ik begrijp dat het voor Curaçao en Sint Maarten lastig is dat je land wordt in een wereld waarin je het niet langer alleen af kunt en uitgerekend het oude moederland voor veel zaken de eerst aangewezen samenwerkingspartner is. Daarom moet die samenwerking worden verbreed, niet alleen tussen overheden ook met maatschappelijke groepen; niet alleen met Nederland, ook in de regio. Dat is ook gunstig voor het koninkrijk als geheel. Poort tot Europa en poort tot Latijns Amerika. Als je geen samenwerking zoekt, speel je niet meer mee. Dat geldt ook voor Nederland in de Europese Unie.”

“Alle politieke en maatschappelijke groepen in Curaçao en Sint Maarten doen er verstandig aan zich te realiseren dat Nederland een strategische partner kan zijn, zoals de regering van Aruba dat ook heeft ingezien. Het is nog maar een paar jaar geleden dat ook op Aruba vaak de gedachte heerste dat Nederland het eiland alleen maar dwars zat. Het kabinet Eman heeft voor een andere invalshoek gekozen en kijk eens waar die samenwerking het land in korte tijd heeft gebracht met de komst van Schiphol, TNO en de Rietveld Academie.

Aruba heeft daardoor helemaal niets van zijn autonomie ingeleverd. Sterker nog, de paradox is dat die samenwerking de eigen invloed juist versterkt.”

Kritische Curaçaose of Sint Maartense politici vinden in Tjeenk Willink geen medestander in hun opvatting dat het moeten voorleggen van de landsbegroting aan het College financieel toezicht (Cft) een inbreuk is op de autonomie. “Ik begrijp het ongemak wel. Dat is er in Nederland ook als de EU financiële eisen stelt, maar men moet zich realiseren dat Nederland – in een tijd dat er in Nederland zelf 18 miljard euro en waarschijnlijk veel meer wordt bezuinigd – 1,7 miljard voor de schuldsanering van de eilanden heeft uitgetrokken. Het is niet meer dan begrijpelijk dat Nederland wil voorkomen dat zich zo’n situatie over vijf jaar weer voordoet. Van een aantasting van de autonomie is echt geen sprake. Als de regering een deugdelijk financieel beleid voert, zoals zij ook zou behoren te doen als Curaçao of Sint Maarten een onafhankelijk land was buiten het Koninkrijk, heeft zij helemaal geen last van het Cft. Het Cft bepaalt niet waaraan een land geld uitgeeft, maar kijkt alleen of er genoeg geld in kas is om uit te geven. Dat is in ieders belang, zeker in dat van de burgers in beide Caribische landen en Nederland.”

,,De Caribische partners doen er verstandig aan zich te realiseren dat het politieke klimaat in Nederland is veranderd. En ook dat van feitelijke gelijkheid geen sprake is: 17 miljoen inwoners is toch echt iets anders dan 40.000, 110.000 of 140.000. Ook dat kennen we heel goed in Europa: Malta is niet gelijk aan Frankrijk en Nederland niet aan Duitsland. Dat betekent niet dat er geen gelijkwaardigheid in de zin van wederzijds respect moet zijn. Maar dat vereist een actieve opstelling van Curaçao, Aruba en Sint Maarten, maar zeker ook van Nederland. Er mag aan deze kant van de oceaan best meer begrip voor zijn dat de cultuur op de eilanden een andere is dan de onze. Waarom zou je niet, zonder iets af te doen aan de principes van de democratische rechtstaat, voor een andere vorm van besturen mogen kiezen? Als je land zo klein is dat iedereen familie of buren van elkaar is, is dat een gegeven waar je niet omheen kunt. Op de bestuursvorm en de bestuurspraktijk van Nederland valt ook wel het een en ander af te dingen dus het Nederlandse systeem blind naar de andere delen van het Koninkrijk exporteren zou ik niet doen.”

,,Ik zie Curaçao en Sint Maarten als nieuwe landen die hun weg nog aan het zoeken zijn. De checks-and-balances zijn er. Er zijn in de uitvoering zaken die minder goed gaan, maar die kun je oplossen door de vele publieke en private instellingen met name in Nederland als een partner te zien waarmee je kunt samenwerken. De nieuwe  landen doen er goed aan zo concreet duidelijk te maken wat zij van die samenwerking verwachten en moeten vooral niet het Calimero-effect koesteren.: Als je gerespecteerd wilt worden moet je zelf ook respectabel zijn. Ook de Tweede Kamer zou zich wel wat meer rekenschap mogen geven van de sociaal-culturele verschillen. Er heerst in de Tweede Kamer vaak grote bezorgdheid over de landen maar ik zie vooral kansen. Te makkelijk wordt – vooral in politiek Den Haag – geroepen om ‘ingrijpen’, zonder dat wordt doordacht wat dat precies in de praktijk betekent en zonder de consequenties goed te overzien. De Caribische landsregeringen steunen alle drie op een meerderheid in hun Staten. Het is van wezenlijk belang ook dat in elke afweging te betrekken.”

Alsof hij de voorspelbare reactie van sommige Curaçaose politici (om overzeese kritiek te pareren met een jij-bak) voor wil zijn klinkt Tjeenk Willink bijna verontschuldigend als hij het over zijn rol als adviseur heeft: ,,Ik kan zeggen hoe ik tegen iets aan kijk, vanuit mijn ervaring maar ik ben geen Curaçaoënaar of Sabaan. Ik ben een makamba met mijn eigen culturele achtergrond. Ik heb ook altijd gezegd: Als je mij om advies vraagt moet je niet automatisch doen wat ik zeg want ik bekijk het vanuit mijn invalshoek. Het ging mij altijd om een gedachtewisseling op gang te brengen. Ik ben altijd plezierig ontvangen op de eilanden. Ik heb een grote mate van openheid ervaren, juist als het over problemen ging. Ik had het natuurlijk ook makkelijker dan ministers. Ik heb geen macht en geen geld dus kon ik zeggen: Laten we het over de echte problemen hebben en wat er praktisch aan te doen valt.”

,Ik heb er ook altijd nadrukkelijk op gewezen dat ik de vicepresident was van de Raad van State van het koninkrijk – dus niet alleen van Nederland – en op de onafhankelijkheid van die Raad. Dat zit hem soms ook in heel subtiele dingen. Mijn werkbezoeken aan de eilanden bijvoorbeeld werden bewust niet door de Vertegenwoordiging van Nederland voorbereid, maar door het Kabinet van de Gouverneur of door de overzeese collega’s van de Raad van Advies.” Het koesteren van de onafhankelijkheid is onder meer van belang voor het kritisch kunnen beoordelen van wetsvoorstellen. Een van de essentiële taken van de Raad van State is immers het waken over de kwaliteit van wetgeving.

Gezien de onvrede die er heerst op Bonaire, Sint Eustatius en Saba dringt zich de vraag op of dat met de wetten voor Caribisch Nederland wel naar behoren is gebeurd. Lange tijd werden onder het motto ‘zorgvuldigheid boven snelheid’ opeenvolgende deadlines gepasseerd. Totdat plotseling 10-10-‘10 heilig werd verklaard en de ene conceptwet na de andere in hoog tempo voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd voordat deze door Tweede en Eerste Kamer werden behandeld. Trekt de vice-president van een de gezaghebbendste instituten in het Koninkrijk het zich aan dat niet meer tijd is genomen?

Gedecideerd: ,,Dat trek ik mij zo goed als in het geheel niet aan. Wetten maken was in dit geval ook een kwestie van onderhandelen. Al ga je daar eeuwig mee door, perfect krijg je het toch niet. Op een gegeven moment moet je ophouden met onderhandelen en moet je je weer gaan bezighouden met het oplossen van de echte maatschappelijke problemen. Wat ook meespeelde was dat het land Nederlandse Antillen steeds verder ontmanteld raakte dus moest er wel haast worden gemaakt. Dat wetten in de praktijk soms anders uitpakken dan verwacht, vind ik helemaal niet gek en ook niet zo heel erg. Ik heb zelf op Bonaire, Sint Eustatius en Saba geconstateerd dat veel zaken na oktober 2010 inderdaad anders zijn gelopen dan gehoopt of verwacht. Denk aan de forse prijsverhogingen in winkels. Voor burgers is dat natuurlijk erg onbevredigend. Het gaat er politiek echter om hoe daar op wordt gereageerd. Gaan de uitvoerders er met gezond verstand mee om? Worden dergelijke niet bedoelde negatieve gevolgen snel gecorrigeerd? Wordt er tegendruk geboden tegen Haagse plannen die niet op de plaatselijke situatie zijn toegesneden? Ik vind dat bijvoorbeeld minister Van Bijsterveldt van OCW en staatssecretaris Weekers van Financiën goed hebben gereageerd op de problemen die zich op de drie eilanden voordeden bij de uitvoering van de wet- en regelgeving waarvoor zij verantwoordelijk zijn.”

,,De eilanden verschillen van Europees Nederland maar ook onderling, niet alleen sociaaleconomisch maar ook cultureel. Wij vonden als Raad van State de keuze voor drie openbare lichamen en niet drie of één gemeenten een goede omdat je dan dingen per eiland kunt regelen, rekening houdend met die verschillen. Zo hebben we dat ook geadviseerd: Verscheidenheid in eenheid. De functie van Rijksvertegenwoordiger vonden wij ook een mooie. Wij hadden daarbij Han Lammers voor ogen die in 1995 na orkaan Luis bemiddelde tussen het lokale bestuur van Sint Maarten en Den Haag. De ene keer riep hij een Haags ministerie tot de orde omdat het niet snel of niet adequaat reageerde (desnoods belde hij de minister-president thuis), de andere keer zei hij tegen het Eilandbestuur dat het niet moest overvragen. In de prille praktijk van Caribisch Nederland blijkt echter dat de Rijksvertegenwoordiger nog te veel alleen de vertegenwoordiger is van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij kan in de praktijk slechts informeel aankloppen bij de andere departementen. Van de Haagse departementale vertegenwoordigers  lopen er velen rond  als `rijksvertegenwoordiger`.

,Veel Nederlandse ministeries gaan zoals alle overheden vaak bureaucratisch te werk. Daarin past harmoniseren en uniformeren beter dan differentiëren. Daarom is het voor ambtenaren vaak moeilijk oplossingen op maat te vinden. Daar hebben ze hulp bij nodig.”

˶Op de eilanden leeft bij sommigen het gevoel dat Nederland er als een wals over heen gaat. Dat gebeurt overigens met de beste bedoelingen. Het probleem is misschien wel dat de eilanden onvoldoende tegenwicht bieden aan de departementen, onvoldoende zelf hun kennis en ervaring weten in te brengen. Ze zijn dat vaak niet gewend en ze hebben bovendien de capaciteit niet. Als een ministerie iets wil waarvoor in Nederland geen draagvlak is, wordt door burgers, maatschappelijke organisaties, gemeenten en bedrijven gewoon gezegd: ‘Dat moeten we niet doen’. In Nederland is het tegenwicht georganiseerd met organisaties zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Ik zou de Eilandbesturen daarom aanraden: formuleer helderder wat wel en niet kan, versterk de uitvoering, vraag daar ook om en zoek daarom actief naar bondgenoten in Nederland, bijvoorbeeld de VNG.”

Tjeenk Willink zou willen dat niet alleen de ministeries maar ook de Tweede Kamer meer rekening houdt met de culturele eigenheid van de Bonaireanen, Statianen en Sabanen. ,,Van de manier waarop het homohuwelijk, de euthanasiewetgeving en die ten aanzien van abortus volgens de Kamer moest worden ingevoerd ben ik geen grote bewonderaar. Ik heb het dan vooral over de vorm en het tempo. In Nederland is dat proces ook langzaam gegaan, stap voor stap. Als je zaken waarvoor in de maatschappij onvoldoende draagvlak bestaat dwingend met wetten gaat opleggen ben je niet goed bezig. Een samenleving functioneert alleen als de burgers het min of meer eens zijn over hoe je met elkaar omgaat. Anders kun je regels maken tot je een ons of honderdduizend kilo weegt, werken zal het niet.”

De integratie van Bonaire, Statia en Saba in het Nederlandse staatsbestel beschouwt Tjeenk Willink als een ‘fantastisch experiment’ waarvan juist Nederland veel kan leren. ,,De Nederlandse overheid kan zichzelf opnieuw uitvinden; uitvinden hoe zij in de praktijk beter kan functioneren. Het zou toch een blamage zijn als het met alle kennis en middelen waarover de Nederlandse overheid beschikt niet lukt de relatief overzichtelijke problemen van drie kleine eilanden op te lossen? Als dat niet lukt, lukt het in Nederland al helemaal niet concrete oplossingen te vinden voor praktische vraagstukken. Dat nu op de eilanden nog niet alles goed gaat, daar moeten we niet al te veel over somberen. Er is al veel verbeterd – wie wil er terug naar de Antillen van Vijf? – en wie heeft gedacht dat vanaf 10-10-‘10 alle problemen van daarvoor meteen opgelost zouden zijn, is naïef.”

Deze week neemt Tjeenk Willink officieel afscheid van de Raad van State. Afscheid van de eilanden heeft hij eind vorig jaar al genomen. ,,Ik heb dat niet willen zien als een afscheidsbezoek want dan loop je al snel alleen maar van receptie naar receptie. Ik heb het beschouwd als mijn laatste werkbezoek. Ik heb geprobeerd veel te doen in korte tijd en kwam weer zeer gemotiveerd terug.” In zijn monumentale werkkamer staat daarvan een stille getuige, een kleurrijk beschilderd beeld van een giraffe dat de Raad van Advies van Curaçao hem als aandenken heeft geschonken.

,,Of ik nog eens op de eilanden kom, hangt er van af of dat ook nuttig is. De eerste keer dat je weer komt, wordt dat nog leuk gevonden maar bij de tweede keer zullen ze zeggen: Hij kan zeker geen afscheid nemen.” En dat warme hart? ,,Als je een warm hart voor iets hebt, zet je dat niet zomaar uit.”

René Zwart en Suzanne Koelega, donderdag 26 januari 2011

Tjeenk Willink als eregast op een Sint Maartens Kerstgala in het Haagse Hilton Hotel (december 2015)
Previous post

Nationaal Comité presenteert opzet viering 200 jaar Koninkrijk

Next post

Eerste editie filmfestival Curaçao (IFFR) "groot succes"

Comité Koninkrijksrelaties

Comité Koninkrijksrelaties