Speciale gebeurtenissen

Hirsch Ballin over George Maduro: tegen de stroom in!

Vandaag was een bijzondere dag. Precies 76 jaar na de bevrijding van Villa Leeuwenbergh op 10 mei 1940 door luitenant George Maduro en een handvol Nederlandse medestrijders, hield prof. Ernst Hirsch Ballin de eerste George Maduro lezing ter nagedachtenis van deze unieke held, die dit jaar precies 100 jaar geleden werd geboren. Onderstaand de integrale tekst van zijn lezing:

‘Tegen de stroom in de juiste keuzes maken’ [1]

Inleiding

In het honderdste jaar na zijn geboorte wordt George Maduro op verschillende manieren en plaatsen herdacht. De moed van George Maduro staat ons allen daarbij scherp voor de geest. Rond zijn geboortedag, 15 juli, zal een biografie van de hand van Kathleen Brandt-Carey verschijnen onder de titel Ridder zonder vrees of blaam. De Dachaulezing van dit jaar was aan hem gewijd en in de Antilliaanse pers zijn verscheidene publicaties over George Maduro verschenen. Zijn persoonlijke moed, zowel in mei 1940 na de Duitse inval als in het verzet, is een bron van inspiratie, zijn onverschrokkenheid als Antilliaanse en Joodse Nederlander in de slag om Holland een vermaning voor iedereen die etniciteit als beoordelingskader misbruikt. Dat geeft het herdenken zin en waarde voor heden en toekomst.

Met de stichting van Madurodam, naar George vernoemd, heeft zijn familie de herinnering meteen na de oorlog al in een educatief perspectief voor de jeugd willen plaatsen. Die verbinding van historisch besef en gerichtheid op de levensprojecten van ons en onze kinderen ligt ook ten grondslag aan het initiatief om samen met het Comité Koninkrijksrelaties een naar George Maduro  vernoemde lezing in te stellen. De verbinding van historisch besef en onze  levensprojecten vormt ook de leidraad van mijn lezing: “Tegen de stroom in de juiste keuzes maken”.

Momenten in het leven van George Maduro 1916-1945

De op Curaçao geboren Sefardisch-Joodse Antilliaanse Nederlander George Maduro was in mei 1940 24 jaar oud. Hij studeerde rechtsgeleerdheid in Leiden en was reserve-luitenant der 2de klasse van de cavalerie toen de Duitse Wehrmacht op 10 mei Nederland binnenviel – overviel, beter gezegd, want Nederland had na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 zijn neutraliteit strikt in acht genomen. Het ging dus evident om agressie in de volkenrechtelijke betekenis. Ondanks de grote Duitse overmacht bood de Nederlandse krijgsmacht gedurende vier dagen taai weerstand. Het Duitse aanvalsplan was erop gericht al onmiddellijk met luchtlandingstroepen de regio Den Haag, dat het centrum van regering en militair commando was, onder Duitse controle te brengen, evenals de havenstad Rotterdam: de slag om Holland. Die opzet mislukte, deels door fouten aan Duitse zijde, deels door manmoedig verzet en zelfs kleine tegenoffensieven van Nederlandse zijde. Een daarvan was de succesvolle “stormaanval op parachutisten die zich aan de Vliet in een huis waar vier oude dames woonden, verschanst hadden”. Die aanval werd uitgevoerd onder leiding van luitenant Maduro, die met zijn kleine groep dappere militairen elf Duitse parachutisten krijgsgevangen wist te maken.[2] De door de Duitse Wehrmacht ondervonden tegenslagen hebben weliswaar de Nederlandse capitulatie slechts vertraagd tot 14 mei, maar daarmee ontstond wel de ruimte waardoor eerst het prinselijk gezin en vervolgens koningin Wilhelmina en haar regering naar Engeland konden uitwijken. Dit heeft de uitvoering bemoeilijkt van Hitler’s voornemen om een tot inschikkelijkheid gedwongen Nederlands volk in het Groot-Germaanse imperium te integreren. In de eerste jaren van de bezetting was dat een reëel gevaar; zoals ik in mijn pas verschenen essaybundel “Tegen de stroom” heb beschreven hebben oplettende figuren onder wie pater Titus Brandsma en de ontslagen Joodse president van de Hoge Raad Mr. L.E. Visser dit van meet af aan onderkend en zich ertegen verzet, terwijl vele anderen zich voegden naar de veranderde verhoudingen.

De herovering van dit huis – villa Leeuwenbergh – had dan ook veel meer dan enkel symbolische betekenis. De capitulatie van de Nederlandse krijgsmacht op 14 mei bracht mee dat George Maduro net als de andere militairen krijgsgevangen werden gemaakt De meesten werden al na enkele weken vrijgelaten, maar hij liep als Joodse burger meer dan anderen gevaar. Hij sloot zich aan bij het verzet en dook onder bij de – later als Nederlands politica zeer bekend geworden – freule “Bob” Wttewaal van Stoetwegen, de zus van zijn vriend Oncko. Oncko en George proberen in 1943, langs hetzelfde spoor als waarlangs Ernest Cohen Henriquez via Spanje naar Curaçao was gevlucht, te ontkomen, maar werden in Noord-Frankrijk gepakt. Op 9 februari 1945 bezweek George in het concentratiekamp Dachau aan vlektyfus, net als Anne Frank rond dezelfde tijd in Bergen-Belsen.

George Maduro is 28 jaar oud geworden: een korte tijd van leven waarin hij desalniettemin een onvergetelijke indruk heeft nagelaten. Als Nederlandse militair die postuum met de Militaire Willemsorde is onderscheiden, kan men in hem een man zien die bereid was te vechten en te sneuvelen voor vorst en vaderland, zoals men dat toen graag zei. Er is alle reden om aan te nemen dat ook voor hem koningin Wilhelmina en het huis van Oranje-Nassau, net als voor de freule, een persoonlijk betekenisvol ankerpunt vormden. Vanuit Antilliaans gezichtspunt was en is hij echter een landskind, yu di Korsou, iemand die net als andere Antillianen een vaak vergeten bijdrage aan de geallieerde strijd tegen Nazi-Duitsland heeft geleverd. In het mozaïek van de Curaçaose samenleving was hij een van de Sefardiem die – als nazaten van de uit Spanje en Portugal verdreven Joden – in West-Europa, rond de Middellandse Zee en aan de kusten van West-Indië en Zuid-Amerika een grote bijdrage aan cultuur en handel hebben geleverd, tot op de dag van vandaag. Maar voor de Nazi’s telde dat laatste in het geheel niet: voor hen was hij enkel een van de leden van het gehate Joodse volk, dat zij met een ongekend doeltreffende verbetenheid hebben willen vernietigen. Antilliaan, Curaçaoënaar, Hagenaar, Nederlander, Sefardiem, Jood, militair, verzetsman: hoe zullen wij George Maduro identificeren?

Het antwoord kan en moet klip en klaar zijn: wij identificeren hem als George Maduro, een persoon met zijn eigen, onvervreemdbare waardigheid en eigenheid, sterker dan de kwellingen en vernederingen die hij heeft moeten ondergaan. Identificatie van een persoon kan en mag niet een rubricering zijn in een of andere categorie die tegenover andere categorieën wordt geplaatst. George Maduro’s veelzijdige identiteit is een voor ons voortlevende weerlegging van wat de Nazi’s trachtten te doen: het reduceren van mensen tot een exemplaar uit een door hen gehate soort – zoals de Joden, of de Sinti, de Roma en andere door hen verachte volkeren – dan wel uit de door hen geprivilegieerde soort – de Ariërs.

Het rubriceren van mensen in een soort die zichzelf als de betere ziet, en vijandige soorten hoeft niet genocidale trekken aan te nemen zoals bij de Nazi’s het geval was (of bijvoorbeeld in Rwanda in 1994). Het kan zich ook “onschuldiger” voordoen en alleen maar op segregatie of discriminatie uitdraaien. Nu ja, “alleen maar”? Wanneer sollicitanten, omdat hun achternaam als die van een “allochtoon” wordt herkend, niet worden opgeroepen, wordt de kiem gelegd van frustraties die de sociale cohesie verscheuren. En wanneer mensen, enkel wegens hun religie of herkomst, worden aangemerkt als dragers van een terroristisch risico, worden angsten opgeroepen bij medeburgers en is de geest uit de fles van alleen maar meer angsten en frustraties.

Wie eerlijk over zichzelf en de samenleving denkt, zal zulke rubriceringen afwijzen en noch over zichzelf , noch over anderen willen afroepen. Toch worden ze in de politiek, hier en elders, en in die media die men merkwaardigerwijs sociaal noemt, meer en meer dominant. Nationalistische autoritaire politici komen, zelfs in landen van de Europese Unie, democratisch aan de macht en knijpen vervolgens minderheden af. Maar ook waar vooralsnog de rechtsstaat stevig verankerd is, winnen “identitaire” stromingen – d.w.z. stromingen die een eenzijdige gedefinieerde eigenheid tot maatstaf van normaliteit maken – aan invloed. Integratie wordt opgevat als het omkatten van mensen (zie bijvoorbeeld de integratienota van het eerste kabinet-Rutte), immigratie wordt benaderd als een te keren “vloedstroom”, en fundamentele rechten zoals dat op bescherming van vluchtelingen worden gezien als een relict uit andere tijden. Frustraties onder hier opgegroeide Marokkaanse jongemannen worden door hen opnieuw afgereageerd op Joodse medeburgers. Het verhaal dat Joden als internationale complotteurs voorstelt (in zijn laat 19de -eeuwse versie de “protocollen van de wijzen van Zion”), doet in moderne varianten nog steeds de ronde.[3]

Dat raakt ieder staatsbestel dat mensen met verschillende religieuze, culturele of etnische achtergronden als burgers heeft, zoals het Koninkrijk der Nederlanden. Niemand zal willen beweren dat het samenleven in diversiteit vanzelf gemakkelijk gaat. Verschillen in opleiding en taalbeheersing bemoeilijken de ervaring van gemeenschappelijkheid. Maar dat is geen onveranderlijke omstandigheid. De WRR heeft in een recent advies bepleit, in plaats van asielzoekers langdurig in de wachtstand te zetten, zo snel mogelijk ruimte te maken voor arbeid en scholing. Eén staatsburgerschap vereist een voor het hele staatsbestel gemeenschappelijke mogelijkheid van communiceren, dus ofwel de gelijkwaardigheid van meer naast elkaar gebruikte en steeds naar elkaar vertaalde talen, zoals in Zwitserland, ofwel een algemene vaardigheid dezelfde taal te gebruiken, desgewenst naast erkende regionale talen, zoals in Italië. Daarom werd in 2010, als een van de laatste resultaten van het vierde kabinet-Balkenende, kennis van de Nederlandse taal ingevoerd als algemene eis voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, ook voor degenen die in de Caribische delen van het Koninkrijk wonen.

Het waarderen van eenheid in verscheidenheid en van verscheidenheid in eenheid is geen “cultureel relativisme”, zoals een helaas steeds krachtiger stroom van een nieuw, in nette bewoordingen vervat nationalisme ons wil doen geloven. Eerder zou men het cultureel realisme kunnen noemen, dat ruimte maakt voor wisselwerking, nieuwe ideeën en openheid jegens anderen die geen vreemden hoeven te blijven. Daarvoor open te staan was beslist wél karakteristiek voor de persoonlijke identiteit van George Maduro. Hij was immers – daar mogen we wel even bij stilstaan – een telg uit een van de Sefardische families die in wisselwerking met mensen van andere oorsprong de Curaçaose cultuur haar eigen karakter heeft gegeven. De Sefardiem – “Sefarad” is de Hebreeuwse naam voor Spanje of het Iberisch schiereiland – hadden eeuwenlang een belangrijke rol gespeeld in El-Andalus, onder de meestentijds tolerante Moorse heerschappij.[4] Hun bijdragen aan vertalingen en begrip van teksten uit verschillende culturen waren een katalysator voor de ontwikkeling van het moderne Europa. Na het decreet van Alhambra van 1492, waarmee de katholieke koningen Isabella en Ferdinand, de Joden na de Reconquista verdreven of tot “bekering” dwongen, zijn zij die rol van interculturele katalysator blijven spelen, in al de landen waar ze asiel vonden, zoals het Ottomaanse Rijk – in Constantinopel, Thessaloníki en Sarajevo bijvoorbeeld. De tot de doop gedwongen Joden onderhielden soms generaties lang in het geheim de Joodse gebruiken, totdat ze onder andere in Nederland asiel vonden en hun geloof openlijk konden belijden. Vanuit Portugal, nog steeds door de inquisistie achterna gezeten, en vanuit Nederland vestigden zich Sefardische Joden vanaf de 16de eeuw in de Amerikaanse koloniën, waaronder het Caribische gebied.[5] Op verscheidene eilanden zijn daarvan de sporen te vinden, op Curaçao in een ook nu vitale gemeenschap. De sinds 1659 bestaande oudste synagoge van het Westelijk Halfrond is die in Willemstad, de Mikve Israël synagoge.

De leden van deze Sephardische gemeenschap zijn op allerlei manieren verbindingen aangegaan met andere Curaçaoënaars. Die verbindingen kwamen niet altijd in vrijheid tot stand, want ook zij hielden slaven, maar liefde en handel hebben ertoe geleid dat tot de wortels van de Curaçaose samenleving ook de hunne behoren. Familienamen herinneren daaraan, voorbij confessionele grenslijnen. Wie zo’n naam, die van de Maduro’s bijvoorbeeld, met ere draagt, ziet daarin een opdracht om altijd de respectvolle verbinding met anderen aan te gaan, waar die ander ook vandaan komt.

George Maduro ging met heldenmoed tegen het militaire geweld in, zocht wederom met grote persoonlijke moed een uitweg uit het bezette Nederland, en manifesteerde zich zelfs in het concentratiekamp nog als iemand die men niet zomaar onder de duim kreeg. Kunnen wij ook nog iets leren van de mentale kracht van iemand als hij, die zich niet laat reduceren tot een exemplaar van een door andere gehate soort?

Ik ga terug naar de vraag die ik eerder stelde. Antilliaan, Curaçaoënaar, Hagenaar, Nederlander, Sefardiem, Jood, militair, verzetsman: hoe zullen wij George Maduro identificeren? Geen van zulke rubriceringen mag nog afdoen aan dat wat een rechtsstaat aan eenieder verschuldigd is, namelijk dat hij of zij als persoon in staat moet worden gesteld levensplannen te verwerkelijken en als staatsburger een aandeel te nemen in het publieke leven, met rechten en plichten.

Het Koninkrijk der Nederlanden heeft één ongedeeld staatsburgerschap. Deze in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (1954) neergelegde keuze behoort tot de grondslagen van ons gecompliceerde, uit vier landen met eigen en gemeenschappelijke instituties opgebouwde staatsbestel. Het besef dat dit staatsbestel wordt gekenmerkt door één staatshoofd, de Koning, is – zo lijkt het – levendiger dan dat er één staatsburgerschap is. Toch is dat laatste niet minder belangrijk (en heeft het een ook met het ander te maken). Het ene staatsburgerschap is geen beletsel voor gedifferentieerde identiteit. De leden van de Staten-Generaal en de Staten van de Caribische landen van het Koninkrijk leggen bij de inhuldiging van de Koning een eed of belofte van trouw af “namens de volkeren van het Koninkrijk”, aldus de in 1992 vastgestelde tekst.[6] De tot dan geldende tekst voorzag in een eed of belofte van de leden van de Staten-Generaal “namens het Nederlandsche volk”.

Men kan daaruit afleiden dat de parlementsleden allemaal een veelheid van volkeren vertegenwoordigen: het Koninkrijk der Nederlanden als veelvolkerenstaat dus. Dit is in overeenstemming met de sinds de Tweede Wereldoorlog aanvaarde gedachte dat het volkenrechtelijke zelfbeschikkingsrecht van volkeren kan worden uitgeoefend door de bevolking van de vroegere koloniën. Het Statuut verstaat zichzelf ook als een uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht. Al wordt een herleiding tot de “volkeren” vermeden (mogelijk omdat een associatie met volkssoevereiniteit toen nog op veel weerstand stuitte), blijkens de officiële toelichting ging het daar wel om: “De [toen] drie landen gevoelen zich verbonden met het Koningshuis en onder hun bevolkingen bestaan gemeenschappelijke rechtsovertuigingen. Zij zijn derhalve van oordeel dat met de nieuwe rechtsorde ideële en materiële belangen van hun volken zijn gediend.” De Grondwet en de Staatsregelingen kennen alle vier een eigen volk, dat door het parlement wordt vertegenwoordigd, bijvoorbeeld artikel 39 van de Staatsregeling van Curaçao: “De Staten vertegenwoordigen het gehele Curaçaose volk.” Uit artikel 43 blijkt vervolgens wie daartoe kiesgerechtigd zijn: alle meerderjarige “ingezetenen van Curaçao met de Nederlandse nationaliteit”. (Een gevolg van de in 2010 gemaakte keuze is dat de Bonairiaanse, Sabaanse en Statiaanse Nederlanders tot het Nederlandse volk in de zin van artikel 50 Grondwet worden gerekend.)

Wat heeft naar huidig inzicht dan prioriteit: het ene, gezamenlijke staatsburgerschap, of de pluraliteit van volkeren? Het Statuut doet daarover geen uitspraak. Maar waarom zouden we het een of het ander eigenlijk wegredeneren? Een bewering als zou er alleen maar één Nederlands volk zou zijn, verspreid over vier landen, zou niet alleen werkelijkheidsvreemd aandoen, maar ook niet sporen met de keuze voor elk der landen een eigen volksvertegenwoordiging in te stellen. Het gaat bij de volkeren van het Koninkrijk echter niet om van elkaar afgeschermde staatsvolkeren, zoals die van een nationale staat. Het toebehoren tot het ene of het andere volk is poreus, zoals veler levensloop laat zien, die van George Maduro bijvoorbeeld, en juridisch open voor verandering al naar gelang iemands levenssituatie.

Af en toe gaan in de Nederlandse politiek stemmen op om vestiging vanuit de Caribische delen van het Koninkrijk in Nederland aan beperkingen of vergunningen te binden, maar zeker nu alle Nederlanders ook burgers van de Europese Unie zijn, zijn de mogelijkheden voor zo’n regeling uiterst beperkt. Zulke regelingen zouden afbreuk doen aan het ongedeelde staatsburgerschap als constitutioneel fundament van het Koninkrijk. Enkele jaren gelden kwam in een van de huidige regeringsfracties de gedachte op, de paspoorten van Nederlandse staatsburgers van een kleurtje te voorzien al naar gelang van het land waaraan de houder werd toegerekend. Dat juridisch onuitvoerbare en bovendien nogal aanstootgevende idee is gelukkig intussen overgewaaid.

De Nederlander, uit welk land van het Koninkrijk ook afkomstig, wordt doordat hij zich in een ander land van het Koninkrijk vestigt opgenomen in de daar geldende rechtsorde en krijgt daar bijvoorbeeld kiesrecht, terwijl hij het in het land dat hij heeft verlaten, verliest. De conflictregels van het internationaal en interregionaal privaatrecht voegen zich in zulke situaties ook naar het land van vestiging c.q. van gewone verblijfplaats. We kunnen dan ook de bemoedigende vaststelling doen dat ons constitutionele recht met het ene staatsburgerschap voor vier volkeren een in onze tijd passend open burgerschap – een transnational citizenship avant la lettre – heeft gecreëerd dat ruimte biedt voor mensen wier levensloop zich in verschillende levensfasen op verschillende plaatsen afspeelt, zonder dat zij de banden van hun netwerken hoeven door te snijden. Mensen dwingen om, wanneer zij voor huwelijk of werk, of wellicht als vluchteling naar een ander land gaan, de banden met hun land van herkomst  door te snijden, is inhumaan. Zulke maatregelen ontkennen de veelzijdigheid van iemands persoonlijke identiteit en brengen situaties teweeg waarin mensen visa moeten aanvragen om bij de familie in hun geboorteland nog op bezoek te kunnen gaan. Elders[7] heb ik laten zien dat het recht mogelijkheden kent om rekening te houden met de legitieme realiteit van een leven dat verweven is met meer landen en volkeren. Juridisch passende kaders kunnen worden gecreëerd door de volledige aanvaarding van het (in feite al heel lang bestaande) fenomeen van de bipatridie (meervoudig staatsburgerschap) en een nieuw fenomeen als het Europees burgerschap, dat naast het nationale burgerschap komt en niet in de plaats daarvan treedt.[8]

Het Nederlanderschap creëert dus een burgerschap in het gehele Koninkrijk en daarbuiten (want er is één type paspoort voor alle Nederlanders, van rechtswege tevens Unieburgers, met de daarbij behorende herkenningstekens). Het is daarom teleurstellend dat de Caribische landen van het Koninkrijk nog steeds vasthouden aan de uit de koloniale tijd voortgekomen vestigingsregelingen, die onderscheid maken al naar gelang van de herkomst van iemand met de Nederlandse nationaliteit. Niet minder merkwaardig is de regeling van artikel B 1 van de Kieswet. Deze bepaling kent het actief kiesrecht voor de Tweede Kamer mede toe aan Nederlanders die buiten Nederland gevestigd zijn, bijvoorbeeld in Venezuela of Colombia, maar zondert daarvan uit wie ingezetene van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn (blijkbaar met de gedachte dat die hun eigen volksvertegenwoordiging hebben). Op die uitzondering wordt vervolgens een uitzondering gemaakt voor de Nederlander die weliswaar nu ingezetene van een der Caribische landen is, maar tenminste tien jaar ingezetene van Nederland is geweest of aldaar in Nederlandse overheidsdienst is en zijn of haar echtgenoot, partner of kind.

Overal, ook in Nederland, worden “nationale” gevoelens steeds heftiger politiek gearticuleerd. Het aanscherpen van juridische en sociaaleconomische verschillen tussen Arubaanse, Curaçaose, Sint-Maartense en Nederlandse Nederlanders zou de desondanks nog steeds aanwezige ervaring van gemeenschappelijkheid verder ondermijnen. Het is evident dat dit ook de bedoeling is van sommige politici, aan beide zijden van de Oceaan. Even evident is echter dat de realiteit van veel mensenlevens in de andere richting wijst: er is juist een groeiende behoefte aan een juridische verbinding van het vertrouwen dat mensen aan hun staatsburgerschap ontlenen met de flexibiliteit van een leven in verschillende contexten. Het Koninkrijk der Nederlanden biedt hiervoor een constitutioneel kader met toekomstwaarde: één overkoepelend staatsbestel, met waarborgende taken inzake defensie, buitenlandse betrekkingen, fundamentele rechten en democratie, dat ruimte biedt voor een diversiteit van open, elkaar mogelijk overlappende nationale identiteiten.

Dat past bij de manier waarop in deze eeuw steeds meer mensen hun eigen levensloop opvatten. De Duitse socioloog Gunter Weidenhaus heeft de veranderde ervaring van mensen van tijd en ruimte in beeld geanalyseerd en beschreven.[9] Eeuwenlang volgde het leven voor de meeste mensen een min of meer continue lijn, en verruimde zich hun actieradius gedurende hun leven of over de generaties heen in concentrische cirkels. (Weidenhaus noemt dat een concentrisch-lineaire biografie.) Jan is bakker in Leidschendam, nadat hij van zijn vader het bakken heeft geleerd, en verruimt geleidelijk de klantenkring voor de bakkerij tot Den Haag en Voorburg aan toe. Meer en meer speelt het leven van mensen zich echter af in netwerken met mensen en organisaties zowel dichtbij als verder weg. Hun leven omvat verschillende episodes, mogelijk in verschillende stedelijke omgevingen. Gedurende een aantal jaren bakt José in Willemstad, tot het moment gekomen is om een cateringbedrijf te beginnen op Hato met luchtvaartmaatschappijen en festivals als klanten, en nog weer later in Rotterdam een Caribisch restaurantje te openen met Curaçaose gerechten als – daar exotische – specialiteit. (Weidenhaus noemt dat de netwerkvormige-episodische biografie.) Vluchtelingen hebben noodgedwongen een levensloop in verschillende episodes op verschillende plaatsen, onze veelgeprezen internationale ondernemers hebben zo’n levensloop als gelukzoekers uit vrije wil.

Te weinig is onderkend dat pas de herziening van het Statuut van 2010 voor deze visie op de Koninkrijksband ruimte heeft gemaakt. De gedachte dat het land Nederlandse Antillen het staatsverband voor het “Antilliaanse volk” kon vormen, was al lang obsoleet geworden. Het kiesstelsel had dit land in zes delen gesepareerd en artikel 67 van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen (“De Staten vertegenwoordigen het gehele volk van de Nederlandse Antillen”) was nooit een doorleefde werkelijkheid geworden, behalve voor een enkele idealist uit de beginjaren. De herziening van 2010 was dus nodig om te kunnen spreken van vier ten opzichte van elkaar openstaande en overlappende volkeren, met hun eigen parlementen, binnen een overkoepelend staatsverband met één allen omvattrend staatsburgerschap.

De Statuutsherziening van 2010 is echter onvoltooid werk, zolang geen overtuigend antwoord kan worden gegeven hoe de wetgevende en bestuurlijke bevoegdheden constitutioneel zijn  gefundeerd. Een mogelijk antwoord is dat daartoe ook het Koninkrijk als zodanig een democratisch staatsbestel moet krijgen. Dat kan alleen als er ook een Koninkrijksparlement is dat wordt gekozen op een van de manieren die we in federale staten kennen, eventueel in de versimpelde vorm van een aanvulling van het Nederlandse parlement (de Staten-Generaal) met in de andere landen van het Koninkrijk gekozen volksvertegenwoordigers voor de behandeling van wetgeving en beleid inzake Koninkrijskaangelegenheden. De andere mogelijke benadering is die waarvoor het Statuut – in afwijking van de federale vormgeving – heeft gekozen bij de inrichting van de wetgevende bevoegdheid in Koninkrijksaangelegenheden. Hoewel er inspraak van vertegenwoordigers van de andere landen van het Koninkrijk is, komt de eindbeslissing toe aan een parlement dat niet mede is gekozen door het merendeel van de Arubaanse, Curaçaose en Sint-Maartense Nederlanders. Deze constitutionele vorm is alleen te verdedigen als we de bepalingen in het Statuut over Koninkrijksaangelegenheden (artikel 3 en artikel 43, tweede lid) opvatten als een omschrijving van de gebieden waarop de drie autonome landen een associatie met Nederland zijn aangegaan, met opdracht van bevoegdheden aan Nederland als dragend land in de associatie. Als constitutioneel regime is een associatie echter gebonden aan beperkingen waarop de geassocieerde landen zich moeten kunnen beroepen voor een onafhankelijke constitutionele geschillenbeslechtende instantie. Het in 2010 in het Statuut opgenomen artikel 12a van het Statuut voorziet daarin, maar de Koninkrijksregering heeft tot op heden verzuimd voorstellen te doen voor de in dat artikel voorgeschreven rijkswet. Het één – een democratische legitimatie van rijkswetgeving – sluit het ander – constitutionele geschillenbeslechting – niet uit, maar geen van beide doen is niet langer te verdedigen.

Misschien doen deze constitutionele overwegingen op het eerste gehoor wat klinisch aan, nu we hier toch bijeen zijn in herinnering aan een dappere jonge Curaçaose Nederlander. Maar onderwerpen zoals die ik net besprak zijn helemaal niet klinisch en sereen. De Raad van State heeft in 2004 een rapport gepubliceerd over de toekomst van het Koninkrijk  onder de veelzeggende titel “Verdieping of geleidelijk uiteengaan”.[10] Verdieping moet via constitutionele rechtsontwikkeling mogelijk worden gemaakt, maar kan alleen maar werken als ze wordt gedragen door een levend gevoel van wederzijdse betrokkenheid en solidariteit.

Die voorwaarde is nu, helaas, niet vervuld. De afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat de voorstelling van identiteit en cultuur als een enkelvoudig persoonskenmerk daaraan in de weg staat. Dat uit zich op allerlei inofficiële en officiële manieren. Arubaanse, Curaçaose en Sint-Maartense Nederlanders worden bijvoorbeeld als “allochtonen” gekenmerkt, niet-westerse allochtonen zelfs, terwijl een Oekraïner ten minste nog voor een westerse allochtoon doorgaat. Maar wat erger is: eens allochtoon is altijd allochtoon. Het Nederlanderschap wordt in de versimpeling van publiciteit en politiek gewoonlijk omschreven als “het hebben van een Nederlands paspoort”, ook in de West, een gemak schenkend gebruiksvoorwerp dus, in plaats van als de kwaliteit van staatsburger, met rechten en plichten. Pleidooien in allerlei vorm om nationale eigenheid te beschermen mogen als monumentenzorg welkom zijn, een cultuur die zich afsluit voor interacties met andere culturen houdt op zich te ontwikkelen.

Dat zijn  de reële vragen waarmee wij worden geconfronteerd wanneer we ons afvragen voor wie of wat helden als George Maduro streden en het leven lieten. Dat was voor een toekomst in  vrijheid, en openheid, een toekomst waarin de rijkdom van verbindingen die mensen met anderen leggen niet meer angstig worden onderdrukt en ieders persoonlijke waardigheid wordt beschermd en verdedigd. Daarvoor te kiezen, tegen de stroom in van nieuwe nationalisme en vijandbeelden, is onze verantwoordelijkheid.

 

[1] De titel van deze lezing is een verwijzing naar mijn pas verschenen essaybundel Tegen de stroom – Over mensen en ideeën die hoop geven in benarde tijden (Querido 2016), waarin de geschiedenis van vier andere moedige mensen het uitgangspunt vormt voor beschouwingen over de idealen die aan hun moed en strijdbaarheid voor ons betekenis geven.

[2] L. De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 3 (Martinus Nijhoff 1970), p. 136.

[3] Wolfgang Benz, Die Protokolle der Weisen von Zion: Die Legende von der jüdischen Weltverschwörung (Beck 2011), p. 96-104,

[4] María Rosa Menocal, The Ornament of the World. How Muslims, Jews, and Christians Created a Culture of Tolerance in Medieval Spain (Little, Brown & Company 2002).

[5] Wolfgang Reinhard, Die Unterwerfung der Welt: Globalgeschichte der europäischen Expansion 1415-2015 (Beck 2016), p. 421-423.

[6] Rijkswet van 27 februari 1992, Stb. 121, ter uitvoering van artikel 47 Statuut en artikel 31 Grondwet.

[7] Ernst Hirsch Ballin, Citizens’ Rights and the Right to Be a Citizen (Brill Nijhoff 2014).

[8] Artikel 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: “De Unie eerbiedigt in al haar activiteiten het beginsel van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen, organen en instanties. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.”

[9] G. Weidenhaus, Soziale Raumzeit (Suhrkamp 2015).

[10] Voorlichting d.d. 9 september 2003 overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State over de verhouding van de Nederlandse Antillen en Aruba tot de Europese Unie. Zie https://www.raadvanstate.nl/publicaties/publicaties.html .

Previous post

Wij gedenken hem met grote eerbied - Ron van der Veer

Next post

Wat Aruba kan leren van Leros - Vanessa Lambrecht

Comité Koninkrijksrelaties

Comité Koninkrijksrelaties

No Comment

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

twaalf − zeven =

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.