Columns, toespraken & ingezonden stukken

Het Koninkrijk: vrijblijvend of verbonden? – prof. mr. Pieter van Vollenhoven

In deze notitie wil het Comité Koninkrijksrelaties nog eens de schijnwerper zetten op het reilen en zeilen van het Koninkrijk. Niemand ontgaat de vele discussies en de regelmatig terugkerende meningsverschillen tussen de landen van ons Koninkrijk.

Naar het oordeel van het Comité Koninkrijksrelaties lopen de verwachtingen nu te veel uiteen door een gebrek aan duidelijkheid over onze onderlinge relaties. Daardoor ontstaan er situaties, waarin de Caribische landen Nederland verwijten dat het zich te veel bemoeit met hun interne zaken en Nederland vindt bijvoorbeeld op zijn beurt dat de andere leden hun zaken niet op orde hebben of dat zij Nederland te veel ‘kosten’.

Met deze discussienota wil het Comité een bijdrage leveren aan meer duidelijkheid over de Koninkrijksrelatie ter voorkoming dat velen het Koninkrijk anders alleen maar als een last gaan zien en een toegevoegde waarde geenszins meer ervaren. Uw meningen over deze discussienota worden door het Comité zeer op prijs gesteld om de definitieve versie voor december 2014 te kunnen afronden.
Uw reacties zien wij graag tegemoet op: ronvdveer@casema.nl.

Professor Mr. Pieter van Vollenhoven
Voorzitter

Drs. Ron van der Veer
Secretaris

Een terugblik

In het begin van de vorige eeuw kende Nederland een aantal koloniën, namelijk Nederlands-Indië, Suriname en de (zes) Nederlandse Antillen. Gedurende de oorlogsjaren begon men internationaal – vooral in de Verenigde Staten – anders te denken over het hebben en het behouden van koloniën: zou vrijheid en democratie voor Europa niet gevolgd moeten worden door vrijheid en democratie ook elders? Deze stroming vormde de aanleiding in ons land voor de totstandkoming van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Het Statuut beoogde een regeling te treffen voor nieuwe verhoudingen tussen de hierboven genoemde landen, waarbij vrijwilligheid en gelijkwaardigheid als uitgangspunten zouden gelden.
In dit Statuut (uiteindelijk 15 december 1954 afgekondigd) stond voorts de autonomie van elk der landen voorop en het document vormde daarmee ook voor velen een eerste stap naar een totale staatkundige onafhankelijkheid op termijn. Deze ‘termijn’ werd echter door Indonesië niet afgewacht: men had de onderhandelingen al eind jaren veertig verlaten. Gelet op het gegeven dat internationaal het streven was alle koloniale banden te verbreken, besloot Nederland in de zeventiger jaren van de vorige eeuw Suriname onafhankelijk te helpen maken[1].

Dit streven bestond indertijd ook voor de Nederlandse Antillen die echter zich terughoudend opstelden, omdat het onafhankelijkheids-proces van Suriname in Antilliaanse ogen verre van vlekkeloos was verlopen. Aruba vroeg Nederland in de tachtiger jaren van de vorige eeuw om een Status Aparte te verkrijgen. Nederland stemde in, maar zag deze stap als voorbereiding van Arubaanse onafhankelijkheid op termijn. Aruba stond echter voor ogen om de banden met Curaçao te verbreken en zeker niet die met Nederland!

Eind jaren tachtig ging men zich – ook internationaal – terughoudender opstellen ten opzichte van de volkenrechtelijke onafhankelijkheid van kleinere landen, omdat immers juist bij dergelijke landen geen sprake van totale onafhankelijkheid kon zijn. Men blijft immers altijd wederzijds afhankelijk van anderen. Om deze reden besloot Nederland – rond 1990 – geen stappen meer te zetten in het realiseren van onafhankelijkheid voor de resterende zes met Nederland verbonden Caribische eilanden (Curaҫao, Aruba, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba) en gezamenlijk door te gaan. De eilanden konden zich met deze beslissing verenigen.

Achteraf bezien vindt het Comité het buitengewoon spijtig dat men – na twintig jaar streven naar onafhankelijkheid – rond 1990 niet veel duidelijker is geweest over ‘hoe’ aan dat gezamenlijk doorgaan concreet inhoud zou moeten worden gegeven en ‘wat’ dat voor de burgers van dat Koninkrijk feitelijk zou moeten opleveren. Na veel overleg, want er bestonden en bestaan zowel in Nederland als op de eilanden verschillende gevoelens over het Koninkrijk, besloot men per 10 oktober 2010 tot een nieuw (staatkundig) elan te komen.

In dat nieuwe elan werden nu drie eilanden – Bonaire, Saba en Sint Eustatius – staatkundig gezien een deel van Nederland en gingen vier landen Aruba[2], Sint Maarten, Curaçao en Nederland als gelijkwaardige partners deel uitmaken van het Koninkrijk. De tekst van het Statuut werd op deze wijziging aangepast, maar de strekking bleef identiek met de woorden uit 1954, waarbij vrijwilligheid, gelijkwaardigheid en de autonomie van de landen bepalend waren.

Uiteenlopende verwachtingen en onbevredigende status quo

Na twintig jaar streven naar onafhankelijkheid is het gebrek aan nieuwe duidelijkheid bij 10-10-10 – het gebrek aan een nieuw inhoudelijk en aansprekend elan – het voornaamste probleem voor het Koninkrijk geworden. De verwachtingen lopen nu te ver uiteen. De een zou meer bemoeizucht van Nederland met interne zaken van de Caribische landen wenselijk vinden en verwachten. De ander verwijt Nederland dat het zich nu al te veel en te ongenuanceerd bemoeit met de interne zaken van de Caribische partners. De een spreekt over ‘meer onderlinge samenwerking’ en de ander over ‘wie je moet bellen als je het Koninkrijk wilt verlaten’.

De Europese ervaringen hebben ons geleerd dat samenwerkingsverbanden alleen effectief en duurzaam kunnen zijn met strikte onderlinge afspraken, spelregels en een duidelijk gezamenlijk toezicht. De huidige, vele en onderlinge verwijten kunnen – naar onze mening – het Koninkrijk eens gaan op- en openbreken, omdat door deze gang van zaken door velen de toegevoegde waarde van één Koninkrijk niet meer wordt ingezien.

Verdieping of geleidelijk uiteengaan?

De Raad van State van het Koninkrijk – dus niet alleen van Nederland, maar ook van de Caribische landen – heeft zich al in 2004 in de publicatie ‘Verdieping of geleidelijk uiteengaan’ over de koninkrijksband uitgesproken. De Raad constateerde dat de status quo niet meer als een optie werd gezien. Naar het oordeel van de Raad diende een heldere keuze te worden gemaakt voor ‘een beweging met lossere banden (van een vrijblijvend Gemenebest tot volkenrechtelijke onafhankelijkheid) of stappen in de richting van een verdieping’. De Raad van State koos onomwonden voor dat laatste: als de politieke wil aanwezig is, kan (ook met het huidige Statuut) veel meer dan nu gebeurt.

Het hernieuwde Koninkrijk – de staatkundige banden van 10-10-10 – was constitutioneel absoluut ingrijpend te noemen door de beslissing dat drie van de zes eilanden staatkundig gezien een deel van Nederland zouden gaan uitmaken, maar waren geenszins ingrijpend met betrekking tot de onderlinge verhoudingen tussen de vier ‘gelijkwaardige’ partners in het koninkrijksverband. Met als gevolg dat nu ook in Nederland meer en meer openlijk wordt gesproken over een lossere (Gemenebest) relatie. Een gedachte die ook op een aantal eilanden aan populariteit lijkt te winnen.

Het Statuut bepaalt het Nederlanderschap als één en ondeelbare nationaliteit in het Koninkrijk, de buitenlandse betrekkingen en de defensie zijn ook bevoegdheden van het Koninkrijk. Verder is men bestuurlijk autonoom en de landen koesteren die autonomie. De vraag naar een gemeenschappelijke agenda voor het Koninkrijk wordt niet gesteld. Het Koninkrijk kent wel een rijksministerraad, maar geen regeerprogramma. Er is geen visie, bijvoorbeeld op wat wij in 2020 gezamenlijk zouden willen bereiken. Evenmin kent het Koninkrijk een gezamenlijke begroting om een eventuele visie in daden om te zetten.

Eén Koninkrijk, één nationaliteit, gezamenlijke waarden

Burgers van het Koninkrijk, allen bezitter van de Nederlandse nationaliteit, hebben er recht op dat hun regering – ongeacht wie er aan de macht is – toeziet op bescherming en bevordering van mensenrechten en naleving van bepaalde minimum standaarden. Deze gezamenlijke waarden vormen de grondslag van het Koninkrijk. Denk hierbij aan het recht op fatsoenlijk onderwijs en adequate zorg, maar ook aan het tegengaan van corruptie of kinderarbeid, het recht om schone lucht in te mogen ademen en natuurlijk in meer algemene zin aan de borging van rechtsstatelijkheid en deugdelijk bestuur.

De terreinen die het betreft vallen vaak binnen de autonome bevoegdheden van de individuele landen, maar aangezien minimumnormen veelal al zijn vastgelegd in internationale verdragen (waarvoor het Koninkrijk als geheel de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt) is dit een kwestie die het gehele Koninkrijk gezamenlijk aangaat. Uitgangspunt is, dat het kan niet zo zijn dat waarden en normen, verlangd op grond van internationaal recht of internationale standaarden, worden veronachtzaamd of met voeten getreden. Met andere woorden: de internationale verdragen waar het Koninkrijk partij bij is bieden een grondslag voor de gemeenschappelijke waarden van het Koninkrijk. Deze waarden zijn overigens veelal universeel en gelden evenzeer in landen als Japan, Malta, Portugal, Estland, Barbados of Canada.

Bovenstaande gemeenschappelijke waarden betreffen veelal een uitwerking van meer abstracte begrippen als fundamentele menselijke rechten en vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur. Deze drie elementen komen overigens ook terug in artikel 43 van het Statuut voor het Koninkrijk. Daarin is expliciet vastgelegd dat zowel de individuele landen als het Koninkrijk gezamenlijk bij het bevorderen en waarborgen van die gemeenschappelijke waarden samen een verantwoordelijkheid hebben. Helaas bevat artikel 43 geen toelichting over ‘wat te doen’ indien aan deze gemeenschappelijke waarden in de praktijk geen of onvoldoende inhoud wordt gegeven.

Het Koninkrijk is niet het enige verband waar landen op niet vrijblijvende wijze met elkaar zijn verbonden. Wat leren die andere verbanden – bijvoorbeeld de Europese Unie – ons ten aanzien van gemeenschappelijke waarden, doelstellingen en spelregels?

De Europese Unie en het Koninkrijk: een vergelijking

Er zijn zo op het eerste gezicht enorme verschillen tussen de Europese Unie (EU) en het Koninkrijk. De Europese Unie is (voor vrede, veiligheid en economische groei) voortgekomen uit een hoeveelheid soevereine staten die besloten op bepaalde terreinen bevoegdheden af te staan en te bundelen. Het Koninkrijk in zijn huidige vorm is precies omgekeerd ontstaan: vanuit een vast omlijnde eenheid met centraal bestuur naar een verbond, waarbinnen de samenstellende delen (leden) vergaande autonome bevoegdheden hebben gekregen.

Toch vallen in de EU-structuur een paar voor het Koninkrijk relevante zaken op. Indien een land toe wil treden tot de EU dient het te voldoen aan de zogeheten Kopenhagen-criteria[3].
Het Koninkrijk kent geen voorwaarden voor lidmaatschap. De huidige koninkrijkspartners vormden immers al een (koloniale) eenheid toen het Koninkrijk werd gecreëerd. De Europese Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen. Dit blijkt uit (art.2 van) het Verdrag van Lissabon (2007). Het Statuut voor het Koninkrijk kent een dergelijke bepaling niet, maar gaat enkel uit van het historisch gegeven dat Nederland (met Bonaire, Saba en Sint Eustatius als onderdeel), Aruba, Curaçao en Sint Maarten gezamenlijk het Koninkrijk vormen.

Het formuleren van een gemeenschappelijk doel van het Koninkrijk zou kunnen bijdragen aan de binding en richting ervan, zoals ook het Acquis (Gemeenschapsrecht, het recht van de Europese Unie) mede binding en richting geeft aan de Unie. Dit doel kan gelegen liggen in het gezamenlijk nastreven van gedeelde koninkrijksbelangen: politiek én economisch.

De EU vormt een waardengemeenschap; eenmaal toegetreden is het lidmaatschap niet langer vrijblijvend. De Unie en haar lidstaten erkennen de fundamentele rechten en vrijheden zoals deze zijn vastgesteld in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. In het Handvest worden rechten geordend in zes grote hoofdstukken: Waardigheid van de persoon, Vrijheid, Gelijkheid, Solidariteit, Burgerschap en Gerechtigheid. De Commissie, en ook de lidstaten onderling, waarborgen naleving van deze rechten en vrijheden.

Binnen het Koninkrijk bestaat geen uitgebreid gezamenlijk gecodificeerd waardenpakket; zo is het Statuut geen Grondwet. Uit het Statuut (artikel 43) kunnen wel kernwaarden worden afgeleid. Dit zijn fundamentele menselijke rechten en vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur. Deze begrippen zijn in ons koninkrijkskader echter niet uitgewerkt of gekwantificeerd.

De besluitvormingsprocedures binnen de EU zijn complex en zijn de afgelopen decennia frequent aangepast. In algemene zin kun je zeggen dat de Europese landen veel autonomie hebben ingeleverd aan een gezamenlijk orgaan: de Europese Commissie. Het Koninkrijk kent niet zo een gezamenlijk vormgegeven orgaan en de besluitvormingsprocedures zijn sinds 1954 vrijwel gelijk gebleven.

In de EU zijn net als in het Koninkrijk de verschillen tussen de landen soms enorm. Duitsland telt 81 miljoen inwoners; Malta ruim 400.000. Toch heeft Malta in een aantal gevallen evenveel te zeggen als Duitsland: soms is immers unanimiteit in de Europese Raad een vereiste. In de ministerraad van het Koninkrijk zijn uiteindelijk de Caribische leden (één uit elk land) altijd verreweg in de minderheid als het op stemmen aankomt.

De Unie kent een uitgewerkt systeem van geschillenbeslechting via het Europees Hof van Justitie in Luxemburg. Dit hof behandelt niet alleen geschillen tussen landen of tussen landen en de Europese Commissie, maar biedt ook burgers en maatschappelijke organisaties een mogelijkheid geschillen aan een bovennationale rechter voor te leggen. Voor geschillenbeslechting tussen de landen van het Koninkrijk of tussen de landen en het Koninkrijk bestaat nog steeds geen voorziening[4] anders dan door de rijksministerraad.

Conclusie

Samenvattend zien we een Europese structuur die enerzijds de deelnemers waarden, doelstellingen en spelregels oplegt. En die daardoor de individuele autonomie fors inperkt. Maar anderzijds zien we een structuur waar de belangen van de individuele landen ook worden gewaarborgd door een daadwerkelijk gezamenlijke Europese Commissie en door een geheel onafhankelijke geschillenbeslechting in Luxemburg.

Gelet op het hierboven staande, alsmede gelet op de hiermee opgedane ervaringen is het Comité Koninkrijksrelaties van mening dat de leden van het Koninkrijk niet alleen een keuze moeten maken uit de volgende opties, maar dat die keuze anders dan in het verleden niet vrijblijvend kan zijn. Een keuze maken zonder dat die keuze inhoudelijk voor burgers effect of gevolg heeft, is feitelijk kiezen voor de onbevredigende status quo.

Welke opties liggen voor:
– het Statuut is het voorportaal naar totale onafhankelijkheid;
– het Koninkrijk wordt omgevormd tot een Gemenebest, en
– het Koninkrijk blijft een langdurige en structurele verbintenis, maar dan niet zo vrijblijvend als de afgelopen zestig jaar het geval is geweest.

Het Statuut als voorportaal voor onafhankelijkheid

Indien voor deze optie wordt gekozen[5], dient er een tijdpad te worden uitgestippeld. Binnen dit tijdpad moeten de opeenvolgende stappen worden geïdentificeerd die leiden naar onafhankelijkheid. De te nemen stappen liggen op het terrein van institutionele “ontvlechting” op economisch en financieel terrein, maar ook op het gebied van nationaliteit en personenverkeer. De landen zullen bij het bereiken van onafhankelijkheid, naast een eigen nationaliteit[6] en staatshoofd, ook een eigen buitenlands beleid en defensie hebben. Het Koninkrijk fungeert niet langer als vangnet en waarborgt niet langer de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur. Alle landen staan op eigen benen, dragen volledig hun eigen verantwoordelijkheid.

Het huidige Statuut voorziet niet in een expliciete uittredingsprocedure. Uit de preambule blijkt dat de landen uit vrije wil het Koninkrijk als rechtsorde aanvaarden. Uittreding gaat daarmee tevens bij vrije wil en een besluit daartoe moet de wens van de bevolking weerspiegelen, hetgeen door middel van een referendum kan worden vastgesteld. In theorie moeten ook de andere landen daarmee instemmen – uittreden vergt een wijziging van het Statuut en dan is consensus nodig – maar politiek zal geen der partners een dergelijk stap willen beletten.

Met de Caribische landen kunnen afspraken gemaakt worden over toekomstige uittreding. Indien één of meer van de landen nu zouden kiezen voor onafhankelijkheid dienen concrete afspraken, inclusief een stappenplan, het onafhankelijkheidsproces onomkeerbaar en definitief te maken.

Overigens geldt het zelfbeschikkingsrecht niet alleen voor de drie Caribische landen in het Koninkrijk. Op basis van het internationaal recht hebben ook de drie eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius het politieke recht om het Koninkrijk te verlaten en onafhankelijk verder te gaan. Dat men nu deel van Nederland is, verandert niets aan dat volkenrechtelijke principe.

Gemenebest

Een Nederlands Gemenebest zou kunnen bestaan uit onafhankelijke landen die desgewenst het staatshoofd kunnen delen (naar model van het Britse Gemenebest). Lidmaatschap van het Gemenebest is vrijwillig en zou in theorie tevens opengesteld kunnen worden voor landen die momenteel niet (meer) bij het Koninkrijk horen.

Belangrijke vraag is wat de landen bindt in een Gemenebest, naast een gemeenschappelijk staatshoofd en een gedeeld verleden. Het antwoord hierop zou kunnen luiden: een gemeenschappelijk handvest van waarden en normen, zoals ook het Britse Gemenebest een Handvest heeft. In dit Handvest staat beschreven dat de Britse Gemenebest-Leden worden verbonden door gedeelde waarden van democratie, mensenrechten en rechtsstaat. Binnen een Gemenebest is echter geen enkele afdwinging van naleving mogelijk. Wel kunnen landen bijvoorbeeld worden geschorst, maar dat is vrij zeldzaam: zo werd Zimbabwe geschorst als lid van het Britse Gemenebest toen President Mugabe in 2002 met intimidatie en fraude de verkiezingen won. Dergelijke ontwikkelingen pasten niet binnen een Brits Gemenebest, aldus de overige leden. Er is in een Gemenebest-constructie geen gemeenschappelijke nationaliteit, buitenlands beleid of defensie. Evenmin is er automatisch sprake van vrij verkeer van personen en goederen.

Naar verwachting ontheft een Gemenebest-constructie Nederland in de politieke praktijk niet van verantwoordelijkheden. De internationale gemeenschap – denk aan landen als de Verenigde Staten of Frankrijk – zal Nederland moreel en politiek blijven aanspreken op ontwikkelingen in de Caribische landen.

Een Gemenebest zal gestoeld zijn op gemeenschappelijke waarden, maar ontneemt Nederland praktische alle instrumenten om naleving af te dwingen (behalve schorsing/uitsluiting).

Nieuwe verbintenis binnen het Koninkrijk

Indien de landen van het Koninkrijk blijvend kiezen voor een positie binnen het Koninkrijk, dan kiest men voor een hernieuwd fundament voor verdere samenwerking. Dat betekent een Koninkrijk gestoeld op gemeenschappelijke waarden en normen waarvan naleving met effectieve middelen afgedwongen kan worden. Dat betekent méér, in plaats van minder Koninkrijk. En het betekent een ander – meer gemeenschappelijk – Koninkrijk.

Deze optie heeft parallellen met wat landen overeenkwamen bij het aangaan van samenwerking in Europees verband. Wie lid wil worden van de EU moet voldoen aan de geldende criteria van goed bestuur, mensenrechten en economische ordening en bereid zijn het Acquis over te nemen (zoals de Kopenhagen criteria). Leden van de EU accepteren dat bepaalde bevoegdheden op supranationaal niveau worden uitgeoefend. Binnen de nieuwe verbintenis krijgt het Koninkrijk een bestaansdoel, net als de EU. De EU heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen.

Tegelijk weten de EU-lidstaten dat met hun individuele belangen terdege rekening wordt gehouden door een gemeenschappelijke Europese Commissie, doordat sommige besluiten alleen op basis van unanimiteit kunnen worden genomen en doordat er een effectieve en onafhankelijke geschillenbeslechting plaatsvindt.

De waarden van het Koninkrijk

Voor het Koninkrijk kunnen afspraken gerealiseerd worden door de gemeenschappelijke waarden en normen, inclusief naleving ervan, in het Statuut uit te werken.

Internationale verdragen kunnen als grondslag (als inspiratie) dienen voor het op te stellen gemeenschappelijke pakket van waarden en normen. Dit pakket zou een uitwerking kunnen zijn van de kernwaarden van artikel 43 van het Statuut:
– fundamentele menselijke rechten en vrijheden.
– rechtszekerheid.
– deugdelijkheid van bestuur.

Gemeenschappelijke waarden en normen, en de naleving daarvan, waarborgen in de toekomst de burger- en politieke rechten, als mede de economische, sociale en culturele rechten van alle onderdanen van het Koninkrijk. Onderdanen ervaren een toegevoegde waarde van het Koninkrijk, immers ze ontlenen er veiligheid en rechtszekerheid aan. (Waarden en normen kunnen een groot aantal beleidsterreinen omvatten: milieu, gezondheidszorg, scholing, etc.)

De institutionele inrichting

Binnen of buiten het Statuut dienen mechanismes te worden gecreëerd die naleving van het gemeenschappelijke pakket aan waarden en normen kunnen waarborgen. Tot op heden bestaat een dergelijk mechanisme nog niet. Bestaande instellingen kunnen daartoe met een Koninkrijksrol worden gemandateerd of nieuwe instellingen kunnen worden opgericht; denk aan een Koninkrijks-secretariaat en/of onafhankelijke instanties ten behoeve van geschillenbeslechting, zoals bijvoorbeeld een Hof van Arbitrage van het Koninkrijk.

Als het Koninkrijk een succes moet worden en geen ergernis voor alle deelnemers, zullen aansprekende waarden en daarvan afgeleide doelstellingen moeten worden geformuleerd en spelregels moeten worden aangescherpt en gecontroleerd. Een Koninkrijk zonder inspirerende waarden, aansprekende doelstellingen, heldere spelregels (waaronder begrepen een effectieve conflictenregeling) zal naar mijn stellige overtuiging gewild of ongewild geleidelijk uiteengaan.

Nogmaals zou het Comité Koninkrijksrelaties het zeer op prijs stellen Uw mening te mogen vernemen over de gedachten uit deze notitie. Ook in meer algemene zin zie ik Uw visie over de huidige koninkrijksrelaties – en hoe deze zich zouden kunnen of moeten ontwikkelen – graag tegemoet.
De secretaris van het Comité Koninkrijksrelaties, drs. Ron van der Veer, heb ik gevraagd de reacties op deze notitie te verzamelen. U kunt hem e-mailen via ronvdveer@casema.nl of bellen via +31618308231.

 

Prof. mr. Pieter van Vollenhoven

Voorzitter Comité Koninkrijksrelaties

 



[1] In Suriname leefde die wens overigens niet bij de gehele bevolking. Achteraf is het zeker opmerkelijk dat in Suriname nooit een referendum heeft plaatsgehad.

[2] Aruba kent de status van autonoom land binnen het Koninkrijk overigens al sinds 1986.

[3] De toetredingscriteria zijn bij de Europese Raad van juni 1993 in Kopenhagen gesteld en bij de Europese Raad van december 1995 in Madrid aangevuld. Ze heten nog steeds de criteria van Kopenhagen.

Het land moet: 1) stabiele instellingen hebben die de democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en respect voor minderheden waarborgen, 2) een goed functionerende markteconomie hebben en opgewassen zijn tegen de concurrentie van de EU, en 3) de verplichtingen van het lidmaatschap op zich nemen, de gemeenschappelijke wet- en regelgeving van de EU (Acquis) overnemen en implementeren, en de verschillende doelstellingen van de Europese Unie ondersteunen, en 4) een Europees land zijn.

[4] Poging sinds 2010 om het daartoe strekkende artikel 12a van het Statuut uit te werken en te concretiseren, hebben vooralsnog geen resultaat opgeleverd.

[5] Volkenrechtelijk gezien kunnen alleen de Caribische entiteiten zelf een dergelijke keuze voor onafhankelijkheid maken en kan Nederland als voormalig kolonisator zo een keuze niet opleggen.

[6] Internationaal is de regel dat elke burger de keuze moet krijgen tussen het behouden van de huidige Nederlandse nationaliteit of het aanvaarden van de nieuwe. De ervaring met Suriname leert dat de meeste burgers voor de oude nationaliteit zullen kiezen en uiteindelijk ook naar Nederland zullen willen verhuizen.

Previous post

Two to tango - Column Ron Gomes Casseres

Next post

De vijand is ons - Column Ron Gomes Casseres

Comité Koninkrijksrelaties

Comité Koninkrijksrelaties