Columns, toespraken & ingezonden stukkenUitgelicht

Eén Koninkrijk met spelregels – discussienota prof. mr. Pieter van Vollenhoven

In april 2014 kwam het Comité Koninkrijksrelaties met de discussienota “Het Koninkrijk: vrijblijvend of verbonden?” In die notitie wilde het Comité nog eens de schijnwerper zetten op het reilen en zeilen van het Koninkrijk. De vele discussies en de regelmatig terugkerende meningsverschillen tussen de landen van ons Koninkrijk ontgingen immers niemand. Naar het oordeel van het Comité Koninkrijksrelaties lopen de verwachtingen nu te veel uiteen door een gebrek aan duidelijkheid over onze onderlinge relaties. Daardoor ontstaan er situaties, waarin de Caribische landen Nederland verwijten dat het zich te veel bemoeit met hun interne zaken en Nederland bijvoorbeeld op zijn beurt vindt dat de andere landen hun zaken niet op orde hebben of dat zij Nederland te veel ‘kosten’. Met deze discussienota wilde het Comité een bijdrage leveren aan meer duidelijkheid over de Koninkrijksrelatie om te voorkomen dat velen het Koninkrijk anders alleen maar als een last zouden gaan zien en een toegevoegde waarde geenszins meer zouden ervaren.

Een terugblik
In het begin van de vorige eeuw kende Nederland een aantal koloniën, namelijk Nederlands-Indië, Suriname en de zes eilanden die samen de Nederlandse Antillen vormden. Gedurende de oorlogsjaren begon men internationaal – vooral in de Verenigde Staten – anders te denken over het hebben en het behouden van koloniën: zou vrijheid en democratie voor Europa niet gevolgd moeten worden door vrijheid en democratie ook elders? Deze stroming vormde de aanleiding in ons land voor de totstandkoming van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Het Statuut beoogde een regeling te treffen voor nieuwe verhoudingen tussen de hierboven genoemde landen, waarbij vrijwilligheid en gelijkwaardigheid als uitgangspunten zouden gelden. De koloniale verhoudingen van voor 1940 hadden na 1945 voor alle betrokkenen afgedaan.

In 1948 werd reeds tijdens een Ronde Tafelconferentie het beginsel aanvaard van een Koninkrijk van autonome delen. Het Statuut werd uiteindelijk op 15 december 1954 afgekondigd en daarin stond de autonomie van elk der landen voorop. Daarmee vormde dit document ook voor velen een eerste stap naar een totale staatkundige onafhankelijkheid op termijn. Die staatkundige onafhankelijkheid op ‘termijn’ werd door Indonesië niet afgewacht en men verliet de onderhandelingen eind veertiger jaren. Gelet op het gegeven dat internationaal het streven was alle koloniale banden te verbreken, besloot Nederland in de zeventiger jaren van de vorige eeuw Suriname onafhankelijk te (helpen) maken1. Dit streven bestond indertijd ook voor de Nederlandse Antillen die echter zich terughoudend opstelden, omdat het onafhankelijkheidsproces van Suriname in Antilliaanse ogen verre van vlekkeloos was verlopen. Aruba vroeg Nederland in de tachtiger jaren van de vorige eeuw om een Status Aparte te mogen verkrijgen. Nederland stemde in, maar zag deze stap als voorbereiding van Arubaanse onafhankelijkheid op termijn. Aruba stond echter voor ogen om de banden met Curaçao te verbreken en zeker niet die met Nederland! Eind jaren tachtig ging men zich – ook internationaal – terughoudender opstellen ten opzichte van de volkenrechtelijke onafhankelijkheid van kleinere landen, omdat immers juist bij dergelijke landen de levensvatbaarheid niet altijd vanzelfsprekend is. Om deze reden besloot Nederland – rond 1990 – geen stappen meer te zetten in het actief bevorderen van onafhankelijkheid voor de resterende zes met Nederland verbonden Caribische eilanden (Curaçao, Aruba, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba) en gezamenlijk door te gaan. De eilanden konden zich met deze beslissing verenigen.

Achteraf bezien vindt het Comité het buitengewoon spijtig dat men – na veertig jaar streven naar onafhankelijkheid – rond 1990 niet veel duidelijker is geweest over ‘hoe’ aan dat gezamenlijk doorgaan concreet inhoud zou moeten worden gegeven en ‘wat’ dat voor de burgers van dat Koninkrijk feitelijk zou moeten opleveren. Het Statuut uit 1954 had met deze nieuwe ontwikkelingen eigenlijk geen rekening gehouden. Het was immers bedoeld als een tijdelijke overeenkomst voor ex-koloniën op weg naar totale onafhankelijkheid. Het Statuut had een ontvlechtend karakter! Na veel overleg, want er bestonden en bestaan zowel in Nederland als op de eilanden verschillende gevoelens over het Koninkrijk, besloot men per 10 oktober 2010 tot een nieuw (staatkundig) elan te komen. In dat nieuwe elan werden, na de volksraadplegingen, drie eilanden – Bonaire, Saba en Sint Eustatius – staatkundig gezien een deel van Nederland en gingen vier landen Aruba2, Sint Maarten, Curaçao en Nederland als gelijkwaardige partners deel uitmaken van het Koninkrijk. De tekst van het Statuut werd op deze wijziging aangepast, maar de strekking bleef verder identiek aan de woorden uit 1954, waarbij vrijwilligheid, gelijkwaardigheid en de autonomie van de landen bepalend waren. Alhoewel het Statuut indertijd als overgangsregeling naar op termijn onafhankelijkheid was opgesteld, kreeg het met deze gang van zaken een permanenter karakter.

Uiteenlopende verwachtingen en onbevredigende status quo
Na twintig jaar streven naar onafhankelijkheid is het gebrek aan nieuwe duidelijkheid bij 10-10-10 – het gebrek aan een nieuw inhoudelijk en aansprekend elan – het voornaamste probleem voor het Koninkrijk geworden. Eerder constateerden we al dat de één meer bemoeienis van Nederland met interne zaken van de Caribische landen wenselijk zou vinden en zou verwachten, terwijl de ander Nederland verwijt dat het zich nu al te veel wil mengen in de interne zaken van de Caribische partners.

De een spreekt over ‘meer onderlinge samenwerking’ en de ander over ‘wie je moet bellen als je het Koninkrijk wilt verlaten’. De vele huidige en onderlinge verwijten kunnen – naar onze mening – het Koninkrijk eens gaan op- en openbreken, omdat door deze gang van zaken door velen de toegevoegde waarde van één Koninkrijk niet meer wordt ingezien. Europese ervaringen hebben ons genoegzaam geleerd dat samenwerkingsverbanden alleen effectief en duurzaam kunnen zijn met een gedeelde visie over gemeenschappelijke doelstellingen, strikte onderlinge afspraken, spelregels en een duidelijk gezamenlijk toezicht.

Verdieping of geleidelijk uiteengaan?
De Raad van State van het Koninkrijk – dus niet alleen van Nederland, maar ook van de Caribische landen – heeft zich al in 2004 in de publicatie ‘Verdieping of geleidelijk uiteengaan’ over de koninkrijksband uitgesproken. De Raad constateerde dat de status quo niet meer als een optie werd gezien. Naar het oordeel van de Raad diende een heldere keuze te worden gemaakt voor ‘een beweging met lossere banden (van een vrijblijvend Gemenebest tot volkenrechtelijke onafhankelijkheid) of stappen in de richting van een verdieping’. De Raad van State koos onomwonden voor dat laatste: als de politieke wil aanwezig is, kan (ook met het huidige Statuut) veel meer dan nu gebeurt. Echter, in de praktijk veranderde er niets. Het hernieuwde Koninkrijk – de staatkundige banden van 10-10-10 – was constitutioneel absoluut ingrijpend te noemen door de beslissing dat drie van de zes eilanden staatkundig gezien een deel van Nederland zouden gaan uitmaken, maar waren inhoudelijk geenszins ingrijpend met betrekking tot de onderlinge verhoudingen tussen de vier ‘gelijkwaardige’ partners in het koninkrijksverband.

Wat zijn de waarden die ons binnen het Koninkrijk binden?
Het Statuut bepaalt: het Nederlanderschap (als één en ondeelbare nationaliteit in het Koninkrijk), de buitenlandse betrekkingen en de defensie zijn aangelegenheden van het Koninkrijk. Verder is men bestuurlijk autonoom en de landen koesteren die autonomie.

De vraag naar een gemeenschappelijke agenda voor het Koninkrijk wordt niet gesteld. Het Koninkrijk kent wel een rijksministerraad, maar geen regeerprogramma. Er is geen visie, bijvoorbeeld op wat wij in 2020 gezamenlijk zouden willen bereiken. Evenmin kent het Koninkrijk een gezamenlijke begroting om een eventuele visie in daden om te zetten. Nu het Statuut ook feitelijk een permanente status heeft gekregen, is ‘de’ vraag: “Wat zijn de waarden die ons in het Koninkrijk verbinden?” Als we met z’n allen besluiten dat we met elkaar in het Koninkrijk willen blijven – en de uitslag van de verschillende volksraadplegingen is daar zeer helder over – dan is het ook belangrijk dat we gezamenlijk helderheid verkrijgen over wat we hiermee bedoelen. Het wordt naar onze mening tijd voor een expliciete invulling van waarden en spelregels. Het maken van afspraken over gezamenlijke spelregels is in nationaal en internationaal verband geenszins nieuw te noemen (zie bijlage 1 – Samenwerking “tussen en binnen” staten). Het Statuut stelt in artikel 43 dat de autonome landen zelf zorg dragen voor “de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur”. Sinds de totstandkoming van het Statuut is dit dus een eerste, eigen verantwoordelijkheid voor de autonome Landen geworden. Het Statuut zegt eveneens in artikel 43 dat “het waarborgen van deze rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur is aangelegenheid van het Koninkrijk”. Dat betekent dus dat het Koninkrijk maatregelen kan treffen, indien de autonome Landen zelf hier onvoldoende zorg voor dragen. Het Statuut kent dus de volgende kernbegrippen:

  •  fundamentele menselijke rechten en vrijheden;
  • rechtszekerheid en
  • deugdelijkheid van bestuur

Deze begrippen en de bijbehorende spelregels zijn echter in Koninkrijkskader niet nader uitgewerkt of gekwantificeerd, waardoor een ieder hieraan zijn eigen uitleg en invulling kan geven. Evenmin is de naleving van, noch het toezicht op die kernbegrippen geregeld, behalve dan uiteindelijk ingrijpen door het Koninkrijk. Toch kan wel worden bedacht wat onder deze kernbegrippen moet worden verstaan.

De minimumwaarden
De inwoners van het Koninkrijk, bezitters van de Nederlandse nationaliteit, hebben er recht op dat hun regering – ongeacht wie er aan de macht is – toeziet op bescherming en bevordering van mensenrechten en naleving van bepaalde minimum standaarden. Deze gezamenlijke waarden vormen de grondslag van het Koninkrijk, en moeten overal binnen het Koninkrijk gelden.

Als we de waarden van het Koninkrijk nader invullen en afspraken maken, waarbij de kernbegrippen uit artikel 43 van het Statuut als uitgangspunt gelden (welke we ook in onze Grondwet – en in de Staatsregelingen van de Caribische landen – kunnen terugvinden), kan aan het onderstaande worden gedacht. Daarbij dienen de Nederlandse Grondwet, Caribische Staatsregelingen, internationale verdragen, Handvesten van internationale organisaties als bronnen van inspiratie.

Kernbegrip “fundamentele menselijke rechten en vrijheden”:
Belangrijke thema’s zijn: gelijke rechten voor mannen en vrouwen; vrijheid van gedachte en meningsuiting, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; verbod op (racistisch) geweld of discriminatie; verbod op onmenselijke behandeling; bescherming van rechten van minderheden; verbod op onderscheid op grond van huidskleur, ras of afkomst, geslacht, seksuele voorkeur, leeftijd of handicap. Maar ook: recht op sociale zekerheid, een adequate levensstandaard en goede gezondheidszorg.

Ook waarborging van rechten van kinderen valt hier onder. Elk Koninkrijkskind moet goed onderwijs krijgen, toegang tot goede gezondheidszorg en opvang hebben, worden beschermd tegen mishandeling, uitbuiting en verwaarlozing, en heeft recht op actieve deelname in de maatschappij. Dat betekent dat kinderen kunnen meepraten en beslissen over zaken die specifiek kinderen aangaan. Bescherming van de positie van vrouwen verdient binnen het Koninkrijk specifieke aandacht. Denk bijvoorbeeld aan non-discriminatie en tegengaan van geweld tegen vrouwen.

Vrijheid gaat hand in hand met veiligheid. Zonder een situatie van veiligheid kan de overheid de rechten van burgers niet beschermen en bevorderen. Hier valt onder: bestrijding van (lokale en grensoverschrijdende) criminaliteit, mensenhandel en mensensmokkel; goede grensbewaking; verbod op illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens en munitie.

Kernbegrip “rechtszekerheid”:
Met rechtszekerheid wordt bedoeld een deugdelijke rechtspleging en rechtshandhaving. Iedere burger moet een beroep kunnen doen op zijn of haar rechten. Denk aan: gelijkheid voor de wet van een ieder; afwezigheid van discriminatie of achterstelling op wat voor grond dan ook; ongehinderde toegang tot en gelijkheid voor de onafhankelijke rechter; recht op een eerlijk proces; rechten, bevoegdheden van overheidsdienaren mogen alleen gebruikt worden waarvoor ze zijn bedoeld (geen détournement de pouvoir); legaliteitsbeginsel (alles wat de overheid doet moet gebaseerd zijn op de wet; nieuwe wetten niet met terugwerkende kracht toepassen); menselijke en waardige behandeling voor gevangenen, die toegang dienen te hebben tot een advocaat (desnoods door de overheid geregeld).

Kernbegrip “deugdelijkheid van bestuur”:
Nauw verbonden met rechtszekerheid is deugdelijkheid van bestuur. Burgers moeten van de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuur uit kunnen gaan. Het bestuur moet op een integere en verantwoorde wijze omgaan met de menselijke en natuurlijke hulpbronnen en de overheid moet een structureel houdbaar financieel beleid te voeren. De democratische ordening van de landen het Koninkrijk moet verzekerd blijven. Ook kan gedacht worden aan: het recht voor iedereen om deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden; stemmen; verkozen worden en toegelaten worden tot overheidsdiensten.

Ook een anti-corruptiebeleid is essentieel voor de deugdelijkheid van het bestuur. Denk hierbij aan maatregelen om corruptie te voorkomen en te bestrijden. Hierbij hoort ook het bevorderen integriteit, eerlijkheid, het afleggen van verantwoording en goed bestuur. Dat geldt voor iedereen die een rol speelt bij het openbare bestuur van de landen, zowel ambtenaren, bestuurders als politici. Hiermee hangt samen: een gedragscode voor overheidsfunctionarissen; regels over overheidsopdrachten en beheer van overheidsfinanciën; maatregelen ter voorkoming van witwassen; strafbaarstelling van omkoping van overheidsfunctionarissen; strafbaarstelling van verduistering; onrechtmatig gebruik of ander misbruik van goederen door een overheidsfunctionaris; regels ter voorkoming van ongeoorloofde beïnvloeding, misbruik van functie en ongeoorloofde verrijking.

Internationale verdragen
Er is een breed scala aan internationale verdragen die op de bovengenoemde thema’s van toepassing zijn. De meeste verdragen gelden voor alle autonome landen van het Koninkrijk. Dat betekent dat ook al op grond van het internationale recht de Koninkrijkslanden de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur moeten vormgeven en waarborgen. In bijlage 2 is een opsomming van deze verdragen te vinden.

Koninkrijksinstituut
Binnen het Koninkrijk ontbreekt een onafhankelijk mechanisme dat toeziet op uitvoering en naleving. Er vindt maar een beperkte onderlinge controle plaats; de autonome landen nemen elkaar maar beperkt de maat. Het ligt voor de hand dat een gezamenlijk en onafhankelijk Koninkrijksmechanisme in het leven wordt geroepen, met deelname van alle vier de landen, dat de naleving van de minimumstandaarden en andere afspraken controleert. Dit mechanisme kan ook de aanbevelingen monitoren die voortvloeien uit (mensenrechten) rapportages die binnen de Verenigde Naties verplicht zijn.

Tijdens de Koninkrijksconferentie van december 2011, gehouden met Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, kwam al het idee om te kijken naar de mogelijkheden om te komen tot een Koninkrijkssecretariaat dat behulpzaam kan zijn bij het identificeren van samenwerkingsmechanismen. Mogelijk kan dit idee breder worden uitgewerkt, zodat niet alleen een secretariaat, maar ook een Koninkrijksmediator en/of een geschillenbeslechtingsmechanisme wordt opgericht. Vooral de Caribische Landen hebben ook aan dat laatste behoefte. Ook het Statuut voorziet al in een idee van geschillenbeslechtingsmechanisme (artikel 12a). Dit idee is echter nog niet uitgewerkt, ofschoon hierover momenteel wel overleg is tussen de Koninkrijkslanden.

Welke opties doen zich voor?
Ervan uitgaande dat het geen goede zaak is om de huidige stand van zaken binnen het Koninkrijk te handhaven, zijn er de volgende drie opties: – Het Statuut blijft het voorportaal naar totale onafhankelijkheid op termijn. – Het Koninkrijk wordt omgevormd tot een Gemenebest van onafhankelijke landen. – Het Koninkrijk wordt omgevormd tot een structurele verbintenis, waarbij de kernbegrippen zoals genoemd in het Statuut nader worden uitgewerkt (en waarbij wordt gekeken welke aspecten daarnaast nog aandacht behoeven). In het kader van het “nieuwe elan” zouden we dan kunnen spreken van een “Koninkrijkshandvest”.

Het Statuut als voorportaal voor onafhankelijkheid op termijn
Indien voor deze optie wordt gekozen3, dient er een tijdpad te worden uitgestippeld. Binnen dit tijdpad moeten de opeenvolgende stappen worden geïdentificeerd die leiden naar onafhankelijkheid. De te nemen stappen liggen op het terrein van institutionele “ontvlechting” op bestuurlijk, economisch en financieel terrein, maar ook op het gebied van nationaliteit en personenverkeer. De landen zullen bij het bereiken van onafhankelijkheid, naast een eigen nationaliteit4 en staatshoofd, ook een eigen buitenlands beleid en defensie hebben. Het Koninkrijk fungeert niet langer als vangnet en waarborgt niet langer de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur. Alle landen staan op eigen benen, dragen volledig hun eigen verantwoordelijkheid. Het huidige Statuut voorziet niet in een expliciete uittredings-procedure. Uit de preambule blijkt dat de landen uit vrije wil het Koninkrijk als rechtsorde aanvaarden. Uittreding gaat daarmee tevens bij vrije wil en een besluit daartoe moet de wens van de bevolking weerspiegelen, hetgeen door middel van een referendum kan worden vastgesteld.

Ook de andere landen moeten daarmee instemmen – uittreden vergt een wijziging van het Statuut en dan is consensus nodig – maar politiek zal geen der partners een dergelijke stap willen beletten. Met de Caribische landen kunnen afspraken gemaakt worden over toekomstige uittreding, zoals dat gebeurde met Suriname in 1975. Indien één of meer van de landen nu zouden kiezen voor onafhankelijkheid dienen concrete afspraken, inclusief een stappenplan, te worden gemaakt om het onafhankelijkheidsproces onomkeerbaar en definitief te maken.

Overigens geldt het zelfbeschikkingsrecht niet alleen voor de drie Caribische landen in het Koninkrijk. Op basis van het internationaal recht hebben ook de drie eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius het recht om het Koninkrijk te verlaten en onafhankelijk verder te gaan5. Dat men nu deel van Nederland is, verandert niets aan dat volkenrechtelijke principe.

Gemenebest
Een Nederlands Gemenebest zou kunnen bestaan uit onafhankelijke landen die desgewenst het staatshoofd kunnen delen (naar model van het Britse Gemenebest). Lidmaatschap van het Gemenebest is vrijwillig en zou in theorie tevens opengesteld kunnen worden voor landen die momenteel niet (meer) bij het Koninkrijk horen. Belangrijke vraag is wat de landen bindt in een Gemenebest, naast een gemeenschappelijk Staatshoofd en een gedeeld verleden. Het antwoord hierop zou kunnen luiden: een gemeenschappelijk handvest van waarden en normen, zoals ook het Britse Gemenebest een Handvest heeft. In dit Handvest staat beschreven dat de Britse Gemenebest-Leden worden verbonden door gedeelde waarden van democratie, mensenrechten en rechtsstaat. Binnen een Gemenebest is echter geen enkele afdwinging van naleving mogelijk. Wel kunnen landen bijvoorbeeld worden geschorst, maar dat is vrij zeldzaam: zo werd Zimbabwe geschorst als lid van het Britse Gemenebest toen President Mugabe in 2002 met intimidatie en fraude de verkiezingen won. Dergelijke ontwikkelingen pasten niet binnen een Brits Gemenebest, aldus de overige leden. Er is in een Gemenebest-constructie geen gemeenschappelijke nationaliteit, buitenlands beleid of defensie. Evenmin is er automatisch sprake van vrij verkeer van personen en goederen.

Naar verwachting ontheft een Gemenebest-constructie Nederland in de politieke praktijk niet van verantwoordelijkheden. De internationale gemeenschap – denk aan landen als de Verenigde Staten of Frankrijk – zal Nederland moreel en politiek blijven aanspreken op ontwikkelingen in de Caribische landen. Een Gemenebest zal gestoeld zijn op gemeenschappelijke waarden, maar ontneemt de deelnemende landen praktisch alle instrumenten om naleving af te dwingen.

De nieuwe verbintenis binnen het Koninkrijk; een Koninkrijkshandvest
Indien de landen van het Koninkrijk blijvend kiezen voor een positie binnen het Koninkrijk, dan kiest men voor een hernieuwd fundament voor verdere samenwerking. Dat betekent een Koninkrijk gestoeld op gemeenschappelijke waarden en normen waarvan naleving met effectieve middelen afgedwongen kan worden. Dat betekent méér, in plaats van minder Koninkrijk. Het betekent een meer “gezamenlijk” Koninkrijk. Als uitgangspunt voor dat hernieuwd fundament zou bijvoorbeeld gekozen kunnen worden voor het uitwerken van de kernbegrippen die genoemd zijn in artikel 43 van het Statuut, te weten: – fundamentele menselijke rechten en vrijheden; – rechtszekerheid en – deugdelijkheid van bestuur en kijkt men daarnaast welke aspecten nog missen maar wel noodzakelijk zijn. Ook zou men mogelijk nog kunnen overwegen om naast onder meer buitenlandse betrekkingen en defensie als aangelegenheden van het Koninkrijk hier nog nieuwe onderwerpen aan toe te voegen, bijvoorbeeld het onderwerp rechtszekerheid. Bij de uitwerking en uitvoering van de kernbegrippen dient eveneens de naleving (en het toezicht houden daarop) van het nieuwe gemeenschappelijk pakket aan waarden en normen inhoud te worden gegeven. Hierbij kunnen bestaande instellingen een Koninkrijkstaak gaan vervullen of nieuwe instellingen moeten hiervoor worden opgericht. Belangrijk is dat deze ook daadwerkelijk vorm krijgen als gezamenlijke instellingen. Het Comité denkt hierbij aan de instelling van een Koninkrijks-secretariaat en/of aan een onafhankelijke instantie(s) ten behoeve van geschillenbeslechting.

De keuze van het Comité Koninkrijksrelaties gaat duidelijk uit naar “Eén Koninkrijk met spelregels”, dat kan worden vastgelegd in een nieuw Koninkrijkshandvest, omdat men immers indertijd duidelijk heeft gekozen voor het blijven in en het handhaven van het Koninkrijk. Hierbij kan het Statuut als uitgangspunt worden genomen, maar wel onder de voorwaarden dat de inhoud van het Statuut eindelijk eens wordt uitgewerkt en geconcretiseerd. Zeker nu we hierboven al hebben geconstateerd dat het Statuut inmiddels een permanenter karakter heeft gekregen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Nogmaals zou het Comité Koninkrijksrelaties het zeer op prijs stellen Uw mening te mogen vernemen over de gedachten uit deze notitie. Ook in meer algemene zin zie ik Uw visie over de huidige koninkrijksrelaties – en hoe deze zich zouden kunnen of moeten ontwikkelen – graag tegemoet.

De secretaris van het Comité Koninkrijksrelaties, drs. Ron van der Veer, zal de reacties op deze notitie verzamelen. U kunt hem e-mailen via ronvdveer@casema.nl of bellen via +31618308231.

Prof. Mr. Pieter van Vollenhoven Voorzitter Comité Koninkrijksrelaties

1 In Suriname leefde die wens overigens niet bij de gehele bevolking. Achteraf is het zeker opmerkelijk dat hierover in Suriname nooit een referendum heeft plaatsgehad.
2 Aruba kent de status van autonoom land binnen het Koninkrijk overigens al sinds 1986.
3 Volkenrechtelijk gezien kunnen alleen de Caribische entiteiten zelf een dergelijke keuze voor onafhankelijkheid maken en kan Nederland als voormalig kolonisator zo een keuze niet opleggen.
4 Internationaal is de regel dat elke burger de keuze moet krijgen tussen het behouden van de huidige Nederlandse nationaliteit of het aanvaarden van de nieuwe. De ervaring met Suriname leert dat de meeste burgers voor de oude nationaliteit zullen kiezen en uiteindelijk ook naar Nederland zullen willen verhuizen.
5 Ook hier geldt dat dit alleen mogelijk is als alle Landen binnen het Koninkrijk hiermee instemmen.

 

BIJLAGE 1 Samenwerking “tussen en binnen” staten

Tussen
De Tweede Wereldoorlog heeft naast een andere visie op koloniën ook een nieuw elan voor samenwerking tussen onafhankelijke staten gebracht. Daar waar “overzeese gebiedsdelen” gingen ontvlechten van het “moederland” en onafhankelijke staten werden, zagen we tegelijkertijd onafhankelijke staten met elkaar vervlechten met als doel het zekerstellen van vrede, veiligheid en welvaart. Enkele voorbeelden: de Verenigde Naties; de Europese Unie; de Raad van Europa; de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa; de Benelux.

Hoe hoger de ambitie, hoe groter de vervlechting en strenger de eisen die werden gesteld aan de nieuwe leden. Als een staat bijvoorbeeld toe wil treden tot de EU dan moet het te voldoen aan de Kopenhagen criteria. De staat moet onder meer:

  •  stabiele instellingen hebben die de democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en respect voor minderheden waarborgen;
  • een goed functionerende markteconomie hebben en opgewassen zijn tegen de concurrentie van de EU, en;
  • de verplichtingen van het lidmaatschap op zich nemen, de gemeenschappelijke wet- en regelgeving van de EU (Acquis) overnemen en implementeren, en de verschillende doelstellingen van de Europese Unie ondersteunen.

De Europese Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen. Dit blijkt uit (art.2 van) het Verdrag van Lissabon (2007). De EU vormt een waardegemeenschap, eenmaal toegetreden is het lidmaatschap niet langer vrijblijvend. Als een lidstaat een regel overtreedt, kan het tot de orde worden geroepen. De Unie en haar lidstaten erkennen de fundamentele rechten en vrijheden zoals deze zijn vastgesteld in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

 

De Raad van Europa heeft als uitgangspunten het zekerstellen van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten in Europa. Dit uit zich onder andere door de eis tot verplichte aanvaarding van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering.

De Raad van Europa kent geen vastgelegde set van criteria zoals de EU heeft in de Kopenhagen- criteria. Wel wordt in het proces van toetreding door de Raad getoetst of kandidaat staten voldoen aan de bepalingen zoals verwoord in het EVRM. Ook dient een lidstaat de rechtsmacht te erkennen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Daarnaast kent de Raad een aantal instellingen die de naleving van de beginselen van de Raad van Europa bewaken. Zo heeft de Raad sinds 1999 een Commissaris voor de Rechten van de Mens.

Het Britse Gemenebest is een vrijwillige samenwerking van 54 onafhankelijke staten. Ook het Britse Gemenebest kent een gemeenschappelijk pakket van waarden en normen. In het Commonwealth Charter staat beschreven dat de leden worden verbonden door de gedeelde waarden van democratie, mensenrechten en ‘rule of law’. NB: binnen het Britse Gemenebest is slechts beperkte afdwinging van naleving mogelijk. Wel kunnen landen bijvoorbeeld worden geschorst of uitgesloten. In de praktijk is dit Gemenebest echter zeer vrijblijvend.

Samenvattend: onafhankelijke staten hebben in toenemende mate gezamenlijk en vrijwillig afspraken gemaakt over de waarden en spelregels binnen hun gemeenschap.

Binnen
Er zijn ook aardige voorbeelden van samenwerking binnen landen te noemen. Zo kent het Verenigd Koninkrijk een opsomming van standaarden die binnen het hele Verenigd Koninkrijk, en dus ook in de Britse overzeese gebieden, moet gelden. Dit staat beschreven in een White Paper uit 2012. Hierin staat onder meer dat de keuze om binnen het Verenigd Koninkrijk te blijven zowel rechten als plichten met zich meebrengt. Uitgangspunt voor het VK, zoals vermeld in het White Paper, is om op basis van gezamenlijkheid met de overzeese gebieden toe te werken naar betrokkenheid en gemeenschappelijke doelen. Er gelden regels op het terrein van goed bestuur, rechtsstatelijkheid, corruptiebestrijding en financiële huishouding. Maar het propageert ook de politieke, economische, sociale, en educatieve ontwikkeling.

BIJLAGE 2

A: De volgende verdragen gelden voor alle landen van het Koninkrijk:

  • het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
  • het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR);
  • het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
  • het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (CERD);
  • het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (CAT);
  • het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
  • het Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (CRC);
  • het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);
  • het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen;
  • het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen;
  • de Internationale Regeling tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes (“White Slave Traffic”);
  • het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (UNTOC);

B: De volgende verdragen gelden nog niet voor de Caribische Koninkrijkslanden:

  • het Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad
  • het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad;
  • Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad:
  • het Europees Verdrag inzake de uitoefening van rechten van kinderen;
  • verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC).

Het zou goed zijn als deze verdragen en protocollen voor alle Koninkrijkslanden zouden gelden, aangezien deze internationaal als zeer fundamenteel worden beschouwd.

Vorige bericht

Resultaat Ipko: het Koninkrijk krijgt geschillenregeling

Volgende bericht

Boekaankondiging 'Hij is de weg kwijt - E a pèrdè e strea di nort'

Comité Koninkrijksrelaties

Comité Koninkrijksrelaties

2 Reacties

  1. […] Bron: http://www.comitekoninkrijksrelaties.org/ […]

  2. Norwin Willem
    28 juni 2015 om 04:06 — Beantwoorden

    Nu dat gekizen us voor voortbestaan van het koninkrijk, hie dent het comité over de mogelijkheid: HET KONINKRIJK aks een federale staat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

9 − 9 =