Columns, toespraken & ingezonden stukken

De last van de Caribische delen van het Koninkrijk der Nederlanden – Lammert de Jong

Samen met de Caribische delen van het Koninkrijk blijft Nederland werken aan een goede toekomst, aldus de Koning op Prinsjesdag 2015. Wie zou deze veelbelovende doch nietszeggende passage hebben bedacht? Werken aan een goede toekomst vereist veel meer inspanning dan Nederland bereid is in te zetten voor reguliere ondersteuning van de landsdelen. De resolute steun voor rechtshandhaving, ingegeven door een Nederlands belang, steekt schril af tegen de inertie met betrekking tot de ondermaatse kwaliteit van het onderwijs in de landsdelen. Falend onderwijs heeft gevolgen voor burgerschap en de rechtsstaat. Ook op dat terrein zou Nederland moeten werken aan een goede toekomst. Daarentegen worden de Caribische landen door Nederland ervaren als een last, niet als een opdracht. Maar al te graag zou Nederland het tegenwoordig zonder deze gewesten willen doen. In spiegelbeeld geldt dit ook voor de Caribische delen van het Koninkrijk. Over en weer domineert kommer en kwel in plaats van de ambitie er samen het beste van te maken. Koninkrijksrelaties draaien rond de ondersteuning die Nederland de landen biedt, zolang zij daar gebruik van willen maken (Hillebrink). Wie het beter weet, mag het zeggen.

10.10.10

Op 10 oktober 2010 (10.10.10)  werd het land de Nederlandse Antillen opgeheven. Curacao en Sint Maarten werden een land, net als Aruba dat al eerder was geworden, en de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES eilanden) werden ingelijfd in Nederland als openbare lichamen, een soort van gemeenten.[3] Zowel in Nederland als in de Caribische delen van het Koninkrijk werd 10.10.10 gezien als een urgente structurele verandering waarvoor alles moest wijken. Kennelijk was de structuur van de voormalige Nederlandse Antillen de bron van alle kwaad; 10.10.10 zou daar korte metten mee maken. Een reden om  uitbundig te vieren, met tromgeroffel, dans, muziek en de fine fleur van een Koning van Duytschen Bloet en een Latijns-Nederlandse  Koningin.

Na de uittocht van Aruba in 1976 uit het Antilliaanse landsverband probeerde Nederland de resterende vijf eilanden bij elkaar te houden, tegen de uitdrukkelijke wens van Sint Maarten zich los te willen maken van Curacao, en het streven van Curacao zich te vrijwaren van de armlastige eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius. In feite was de aanmaak van het land de Nederlandse Antillen in 1954 een Nederlands bedenksel om zich te ontdoen van haar versnipperde koloniale erfenis van zes kleine eilanden. De Nederlandse Antillen werden neergezet als een autonoom land waar Nederland weinig of geen omkijken naar zou hebben. Dat heeft redelijk gewerkt zolang Curacao en Sint Maarten zich schikten in het Antilliaans verband en zolang Nederland zich geen zorgen maakte over de bestuurskracht van de Nederlandse Antillen. Dit veranderde in de jaren ’90 van de vorige eeuw. Het bestuur van de Nederlandse Antillen raakte in opspraak, en daarmee ook de betekenis van de waarborgen van het Koninkrijk. Moord en doodslag op Curacao was in 2003 30 x hoger (x 100.000) dan in Nederland. Dat is het nog. Drugshandel tierde als nergens anders. In 2004 werd 60% van alle in de Cariben gevangen drugs geregistreerd op naam van Curacao. Gevangenis condities waren ver beneden de maat. De luchtverontreiniging van de Shell raffinaderij op Curacao had fatale gevolgen voor de volksgezondheid.

Een schrijnende tegenstelling tussen de well to do Yu di Korsou en een omvangrijke onderklasse riep het beeld op van een failed state, en maakte pijnlijk zichtbaar dat de waarborgfunctie van het Koninkrijk weinig tot niets voorstelde.

Via Schiphol werden deze problemen naar Nederland geëxporteerd: drugshandel, bolletjes verkeer en Antillen gemeenten. Het bestuurlijk tekort van de Nederlandse Antillen bereikte Nederland. De internationale reputatie van Nederland was in het geding.

In 2005 gingen alle partijen akkoord met de ontmanteling van de Nederlandse Antillen. Daarna heeft het nog vijf jaar geduurd hieraan vorm en inhoud te geven. Het Statuut moest worden gewijzigd en een enorm corpus wetteksten aangepast. De vraag of de nieuwe landen wel voldoende waren uitgerust de status van eigenstandig land te kunnen voeren, met andere woorden, de bestuurskracht van deze landen, werd niet gesteld, althans niet in het openbaar. Wel waarschuwde Herman Tjeenk Willink, vicepresident van de Raad van State: in een constitutionele structuur kun je niet leven, dit in navolging van het bon mot van Jan Schaeffer, in gelul kun je niet wonen, doelend op ellenlange studies, rapporten, inspraakprocedures e.d. Werd met 10.10.10 een nieuw begin gemaakt? Werd op dat moment toekomst geschreven? Vijf jaar later kunnen we zeggen: niet veel, maar toch wel, een beetje.

Heftige bestuurlijke turbulentie

Onmiddellijk na 10.10.10. kreeg het Koninkrijk met zwaar weer te kampen. De regering van Curacao ontdook de integriteit-screening van de aangetreden ministersploeg. Een aantal ex ministers van Curacao wordt vervolgd voor belastingontduiking. Een ander werd gearresteerd op verdenking van master-minding de moord op de heer Wiels, de oppositieleider. De minister-president van Curacao van 2010-2012 werd verdacht van witwassen en valsheid in geschrifte, samen met zijn levenspartner. Deze rechtszaak was gepland voor 9 september 2015, maar is uitgesteld.

Nederland en Sint Maarten konden het niet eens worden over onderzoek naar de integriteit van het bestuur van SXM en gaven elk voor zich daartoe een opdracht. Het voorstel een Integriteitskamer in te richten kreeg de handen op elkaar. Maar hoe dat te doen bracht diep wantrouwen aan het licht over wie het voor het zeggen zou krijgen. Ook de door Nederland opgeëiste beoordeling van de integriteit van de kandidaat ministers van Sint Maarten zette kwaad bloed en werd gepasseerd door een procedure van Sint Maarten zelf.

Aruba, dat zich verre hield van het Antilliaanse 10.10.10 momentum, kreeg een aanwijzing van de Raad van Ministers van het Koninkrijk. De gouverneur van Aruba werd opgedragen de begroting 2014, die al was goedgekeurd door het Arubaanse parlement, aan te houden in afwachting van een door het Koninkrijk gevorderd begrotingsonderzoek. Aruba’s minister van financiën beschuldigde Nederland van misbruik van macht en nam ontslag. Minister-president Eman begon aan een hongerstaking. In september 2015 geeft de Raad van State van het Koninkrijk met zoveel woorden Aruba gelijk. Nederland had de autonomie van Aruba niet gerespecteerd; het had de statutaire verhoudingen overtreden.

Met de hete adem van 10.10.10 in de nek, verdween de omstreden regeling van personenverkeer tussen de Caribische landsdelen en Nederland van tafel maar daarmee niet uit de wereld. Het regeerprogramma van kabinet Rutte/Samson voorziet een verblijfsregeling voor Caribische Nederlanders. Ondertussen is al jarenlang een initiatief voorstel-Bosman in behandeling: Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curacao en Sint Maarten in Nederland. Overzee wordt elke restrictie van het personenverkeer van Caribische Nederlanders gediskwalificeerd als een discriminerende aanslag op de Nederlandse nationaliteit. Ongetwijfeld zal in dat geval het Committee on the Elimination of Racial Discrimination (CERD) van de Verenigde Naties worden ingeschakeld. Daar is Nederland geen onbekende, met dank aan Zwarte Piet.

Met verwijzing naar de verwevenheid van de onder- en politieke bovenwereld in de Cariben staat sinds 10.10.10 rechtshandhaving hoog genoteerd op de agenda van het Koninkrijk. In dat kader reisde in 2015 mr. Gerard Bouman, Korpchef van de Nationale politie in Nederland, af naar Sint Maarten met de mededeling dat Nederland daar extra politie zal detacheren, hoe dan ook, met of zonder medewerking van het landsbestuur van Sint Maarten. Bouman negeerde met zijn botte optreden dat rechtshandhaving in eerste instantie een taak is van de Caribische landsdelen. De minister van Justitie van Sint Maarten spoedde zich voor crisisberaad naar Nederland en was daar een paar dagen in het nieuws met zijn stelling dat Nederland en Sint Maarten elkaar nodig hebben de rechtshandhaving op Sint Maarten te versterken. Dat had Bouman toch ook kunnen bedenken! Had niemand hem daarover ingelicht?

De recente bestuurlijke turbulentie maakt duidelijk dat de Koninkrijksverhoudingen sinds 10.10.10 niet in rustiger vaarwater zijn beland. Hier en daar wordt al geconcludeerd dat 10.10.10 volkomen is mislukt. Waar wringt de schoen? 

De lange adem van het Statuut (1954)

Het Statuut van 1954 is nog steeds in sterke mate bepalend voor houding en gedrag, voor de ambiente van de Koninkrijksverhoudingen. Het statutair verband is een overeenkomst tussen gelijkwaardige partijen. Wijziging behoeft instemming van alle betrokken partijen (art. 55). De ruime jas van het Statuut was in eerste instantie bedoeld voor een postkoloniaal staatkundig verband tussen Nederland en het voormalig Nederlands-Indië; niet voor Suriname en de Nederlandse Antillen.

Het Statuut voorziet in een grote mate van autonomie van de voormalige koloniën. De zorg van het Koninkrijk betreft hoofdzakelijk buitenlandse zaken, defensie en de Nederlandse nationaliteit. Alle overige taken vallen onder de autonome bevoegdheden van de landen zelf. De landen overzee dragen zelf de zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur. Het Koninkrijk staat er borg voor dat dit gebeurt.

In principe stipuleert het Statuut een bestuurlijke tweedeling waarbij het primaat bij de Antilliaanse autonomie ligt. Deze tweedeling gaat er van uit dat de landsautonomie en de Koninkrijkswaarborgen gescheiden en afzonderlijk van elkaar kunnen functioneren. Hiermee viel te leven zolang het bestuur van het land de Nederlandse Antillen – letterlijk – onbesproken bleef, zodat de Koninkrijk waarborgen in de kast konden blijven. Met ingang van de jaren ’90 kwam daarin verandering toen het bestuurlijk tekort van de Nederlandse Antillen zich ook in Nederland manifesteerde.

Caribische autonomie werd óók door Nederland welbewust gewild: let them do their own thing, anticiperend op onafhankelijkheid. Het trans-Atlantische Koninkrijk werd als tijdelijk gezien, een halfway house. Uiteindelijk zouden de Caribische eilanden onafhankelijk worden, vandaar dat intensieve Nederlandse bemoeienis niet opportuun werd geacht. Als leefregel werd een beperkte functie van Koninkrijk aangehouden: een Kingdom Lite and Ltd. Voor zowel Nederland als de Nederlandse Cariben kwam dit goed uit.

Blijvend, niet vrijblijvend

Al in de jaren ’90 van de vorige eeuw vatte Hirsch Ballin de toekomst van het Koninkrijk samen in het adagium: blijvend, niet vrijblijvend. Wanneer Rutte vervolgens roept, onafhankelijkheid! belt u maar, dat regelen we zo, geeft hij een wereldvreemde voorstelling van zaken. De bevolking heeft op geen enkel moment voor onafhankelijkheid gekozen, het bedrijfsleven in de Caribische landsdelen zal de voet dwars zetten, en de Caribische grootmachten (Washington, Londen en Parijs) zullen Den Haag niet toestaan zich terug te trekken uit de Caribische landsdelen. Dit deel van het Koninkrijk der Nederlanden heeft een nogal dubieuze reputatie wat betreft drugshandel en rechtshandhaving. Nederland wordt daarop aangesproken; Nederland moet daar dus blijven.

Zowel aan Nederlandse als Caribische zijde is een besef van blijvende banden niet ingedaald. De verwachting, dan wel de wens, dat er ooit een einde komt aan het bestand van Koninkrijk in de Cariben maakt een wereld van verschil in het domein van Koninkrijksrelaties, wat zich manifesteert in een passieve opstelling van laat maar dan wel een proactieve stellingname: gaan we wat aan doen.

De ratio van blijvende banden worden nogal eens gezocht in een Nederlands belang in de Cariben. Alleen dan zou de band met de Caribische landsdelen van het Koninkrijk bestendigd kunnen worden. Deze zoektocht naar een Nederlands belang gaat uit van de veronderstelling dat Nederland een belangenafweging zou kunnen maken, uitkomend op een exit dan wel een bestendige win-win relatie. Een Gouverneur van de Nederlandse Antillen (2003) bepleitte eens dat Nederland het praktische belang van haar aanwezigheid in de Cariben nadrukkelijk zou moeten articuleren; dat zou de relatie meer gebalanceerd maken. Een voormalige minister van Koningsrelaties antwoordde daarop dat deze vraag beter niet gesteld kon worden bij gebrek aan overtuigende argumentatie. Wat is het belang van Nederland in Vlieland en Schiermonnikoog? Het vereiste van een Nederlandse belang bij de ondersteuning van de Caribische landen is een verkapte uitdrukking van een Henk en Ingrid sentiment dat ze er niet bij horen. Dit neemt niet weg dat wederzijdse belangen van betekenis zijn, maar niet als zingeving voor blijvende banden. Vaak is de articulatie van een Nederlands belang nogal geforceerd, zoals de steun van onafhankelijke Caribische landen voor een niet-permanente Nederlandse zetel in de Veiligheidsraad in 2017 en 2018. Ook de springplank van de Nederlandse Cariben ten behoeve van Nederlandse bedrijfsactiviteiten in Latijns Amerika – vanwege de ambiente  vergt nogal wat van de verbeelding.

Nederland kan een ‘eigen’ belang niet inbrengen om de statutaire verbondenheid met de Nederlandse Cariben op te zeggen. Doorslaggevend is het zelfbeschikkingsrecht van de bevolking, dat wil zeggen van de voormalige koloniën!

Ook aan de kant van de Caribische landsdelen is blijvend niet vanzelfsprekend. De koloniale context van de heiligverklaring van de landsautonomie is de ultieme wens ooit nog eens onafhankelijk te worden. Wanneer Bijkerk van Bonaire stelt dat onafhankelijkheid is uitgeraasd in de 20e eeuw, wil dat nog niet zeggen dat het politiek niet leeft. Wel wetend dat de bevolking hierover anders denkt, is voor vrijwel iedere politieke partij independencia een stip aan de partijpolitieke horizon, zonder daar naar toe te willen werken. Immers, tussen droom en daad staan wetten en mensen in de weg en praktische bezwaren. Verreweg de meerderheid van wat in de Cariben ons volk wordt genoemd, neemt genoegen met de autonome status in Koninkrijksverband. Tegen beter weten in houden zowel Nederland als de Caribische landen onafhankelijkheid om politieke reden bij de hand. Dit heeft gevolgen voor de inrichting en draagwijdte van de bestuurlijke ondersteuning die het Koninkrijk de landen biedt. De pas de deux van de steun van het Koninkrijk op de maat van de landsautonomie loopt nogal eens uit het gareel. Toch klopt daar het hart van de Koninkrijksrelaties!

De waarborgfictie van het Koninkrijk: It’s the praxis stupid!

Het Koninkrijk staat borg voor goed bestuur in de landsdelen van het Koninkrijk. Omdat nergens is aangegeven wat dit precies inhoudt schept deze waarborgfunctie een Koninkrijksbestand voor elk wat wils, variërend van een waarschuwende tik op de vingers tot een dagelijkse vinger aan de pols om waar nodig bestuurlijke ondersteuning te bieden, desnoods ongevraagd. Nederland is in het verleden nogal achteloos met de waarborgfunctie omgesprongen, niet alleen uit respect voor de landsautonomie maar ook vanwege de gepaste tegenzin te interveniëren in het bestuur van de Caribische landen: waar beginnen we aan? Respect wordt nogal eens voorgewend om tegenzin te fatsoeneren. De waarborgfunctie was in de praktijk een fictie, gemakshalve opgevat als een ultieme handeling, een laatste redmiddel, en alleen dan ingezet na evident falen van het autonome lands- of eilandsbestuur.

Met 10.10.10 is voor twee bestuurstaken de waarborgfunctie van een nieuwe jas voorzien, een zogeheten consensus wet. Voor begrotingsbeheer en rechtshandhaving zijn toen in Nederland, Sint Maarten en Curacao identieke consensus wetten tot stand gekomen die de Nederlandse ondersteuning in detail regelen. De consensuswetten rechtshandhaving vertaalden de bestaande Nederlandse steun aan de Nederlandse Antillen naar het 10.10.10 formaat van de nieuwe landen Curacao en Sint Maarten, zonder daarbij een nieuwe praxis overeen te komen. Dit ligt anders voor de Wet Financieel Toezicht Curacao en Sint Maarten. Deze voorziet in een innoverende bestuurspraktijk van de waarborgfunctie, gestoeld op reguliere bestuurlijke ondersteuning van het begrotingsbeheer, daarmee afwijkend van de gebruikelijke incident gerichte praxis.

De benaming van de wet is ongelukkig: Toezicht wordt geassocieerd met Hoger Toezicht zoals dat in de jaren ’90 over Sint Maarten werd uitgeoefend. Afgezien daarvan is deze wet een voorbeeld van hoe het Koninkrijk een steunpunt kan bieden voor verantwoord begrotingsbeheer door de Caribische landen. Dat gaat niet vanzelf, het vergt expertise en inspanning op de werkvloer van Koninkrijksrelaties, en zorgvuldigheid in de omgang.

Op politiek niveau is bij (consensus) wet geregeld wat onder een evenwichtige begroting wordt verstaan. Dit wordt vervolgens op afstand van de politiek bijgehouden door een College Financieel Toezicht (Cft) tijdens de voorbereiding en uitvoering van de begroting door de betreffende landsdepartementen. Cft is een team experts, samengesteld uit de betrokken landen (incl. Nederland) dat programmatische ondersteuning biedt om begrotingsevenwicht te handhaven. Kenmerkend voor het Cft is dat het op afstand van de politiek opereert; met duidelijke normen werkt; regelmatig publiekelijk rapporteert en adviseert: We speak soft, but hard on the message, aldus Prof. Age Bakker, voorzitter van het Cft. In het geval dat uiteindelijk geen consensus wordt bereikt adviseert Cft de Raad van Ministers van het Koninkrijk een zogenoemde Aanwijzing uit te vaardigen, waarbij hoor en wederhoor wordt toegepast. In geval van beroep tegen de Aanwijzing is het oordeel van de Raad van State van het Koninkrijk zeer zwaarwegend.

De waarborgfunctie van het Koninkrijk is in dit geval ook een kwestie van kassa. Uiteindelijk opent een sluitende begroting voor Curacao en Sint Maarten de deur naar de kapitaalmarkt tegen dezelfde tarieven die Nederland daar betaalt. Tel uit je winst! Het nieuwe ziekenhuis van Curacao wordt gefinancierd met een lening tegen een rente van 1.25% wat anders een veelvoud daarvan zou zijn.

Uiteraard is de consensus mede bepaald door de royale kwijtschelding van een groot deel van de overheidsschuld van de Nederlandse Antillen ten tijde van 10.10.10, om zodoende de nieuwbakken landen Curacao en Sint Maarten de gelegenheid te geven een nieuw begin te maken, van financiële smetten vrij. In feite was de Wet Financieel Toezicht Curacao en Sint Maarten aan deze kwijtschelding gekoppeld. Wie dit als koppelverkoop kwalificeert heeft gelijk; het was een nogal voor de hand liggende combinatie.

Deze programmatische bestuurlijke ondersteuning van de Caribische landen steekt scherp tegen de zogeheten ontwikkelingssamenwerking vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw. Een eindeloze stroom projecten en programma’s van allerlei soort werd toen overeengekomen en van financiering voorzien. Daarmee werd beoogd de zelfredzaamheid van de Nederlandse Antillen te versterken en zodoende de sprong naar onafhankelijkheid te faciliteren. Op het moment van de financieringsovereenkomst schoof Nederland naar de zijlijn, de uitvoering was een Antilliaanse zaak. Een resultaat meting bleef uit of kwam pas veel later op tafel. Sociale zorg, volkswoningbouw, monumentenzorg en onderwijs zijn jarenlang, naast andere takken van overheidszorg, door Nederland met raad en daad gesteund, met tastbaar succes. Maar lang niet altijd kon worden aangegeven wat met de Nederlandse steun blijvend was neergezet. Met name in de sector onderwijs was het moeilijk scoren, terwijl juist daar volgens drie opeenvolgende ministers van Koninkrijksrelaties (de Koning (Jan), Hirsch Ballin en Voorhoeve) het zwaartepunt zou moeten liggen. Deze goede bedoelingen werden toen niet uitgewerkt in programmatische steunverlening die vasthoudend het verbeteringsprogramma volgt overeenkomstig een bij consensus wet verankerd  stappenplan. Niet te meten? Aantal zittenblijvers, uitval, taal- en moderne mediabeheersing, aansluiting bij voortgezet onderwijs, lokaal en elders, inzet en omvang publieke middelen etc., allerlei zaken die een College Kwaliteit Onderwijs (Cko) in z’n portefeuille zou moeten hebben.

10.10.10 – 10.10.15

10.10.10 is niet mislukt, zoals valt te beluisteren in Den Haag; het is nog maar net begonnen. Programmatisch bestuurlijke ondersteuning van de Caribische landen staat nog in de kinderschoenen. Moet op niet meer fronten de waarborgfunctie van het Koninkrijk in een consensuswet worden geoperationaliseerd? Is dit realistisch vanuit de Nederlandse optiek? Programmatisch bestuurlijke ondersteuning vergt een sterke betrokkenheid van Nederland, de Raad van Ministers van het Koninkrijk, eventueel een Onderraad en Secretariaat, de Dienst Koninkrijksrelaties en de Vertegenwoordiging van Nederland in de Caribische landsdelen, én middelen uit de Nederlandse begroting. Daar staan Henk en Ingrid niet op te wachten.

Vanuit de optiek van de Caribische landen vereist programmatische bestuurlijke ondersteuning een herwaardering van de samenwerking met Nederland in het belang van de gelijkwaardigheid van de daar wonende ‘eigen’ Nederlanders; zij verdienen beter.

Wél consensus wetgeving met betrekking tot begrotingsbeheer en rechtshandhaving maar niet inzake de kwaliteit van onderwijs? Falend onderwijs heeft gevolgen voor burgerschap. Mensen die zichzelf niet kunnen redden en geen toekomstperspectief hebben lopen kans te ontsporen. Met name Caribische jongeren die ‘thuis’ of in Nederland afhaken vormen een risico groep. Daarop kan 100 % rechtshandhaving worden ingezet, of een ‘Bosman’ (verblijfsregeling) op worden losgelaten. Dat is geen waarborg, maar een paard achter de wagen van een falend Koninkrijk.

10.10.10 heeft een bescheiden begin gemaakt de waarborgfunctie van het Koninkrijk wettelijk te funderen in programmatische bestuurlijke ondersteuning, en dat tegen de wind in van een lichtgewicht Koninkrijk en de leerstelligheid van de landsautonomie. De fictie van de Koninkrijkswaarborgen verkreeg een wettelijk uitgehamerde functie, met andere woorden, de waarborg werd praxis. Het kan dus wel, maar dan moet Nederland wel samen met de Caribische delen van het Koninkrijk blijven werken aan een goede toekomst. Aldus de Koning! Zo niet, dan is 10.10.10 inderdaad mislukt.

Lammert de Jong (oud-vertegenwoordiger van Nederland te Willemstad)/ Amsterdam / oktober 2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] Lammert de Jong was negen jaar Vertegenwoordiger van Nederland in de Nederlandse Antillen (periode 1985-1998), en auteur van De werkvloer van het Koninkrijk (2002), en De ondragelijke lichtheid van het Koninkrijk (2005)

[2] Steven Hillebrink (2007) Political Decolonization and Self-Determination. The Case of the Netherlands Antilles and Aruba.

[3] De BES eilanden maken nu deel uit van Nederland, en blijven hier buiten beschouwing.

Previous post

Over Anansi, slavernij en de kracht van het verhaal

Next post

Ronald Bandell overleden

Comité Koninkrijksrelaties

Comité Koninkrijksrelaties

No Comment

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

1 × vier =